Pas geleden hoorde ik via het nieuws op de radio dat de schoolkeuzeadviezen die lagere – school verlaters krijgen voor het voortgezet onderwijs, beïnvloed worden door het gemiddelde van de klas waarin ze zitten. Als dat niveau laag is wordt het advies wat “hoger’, is het klasseniveau hoog dan kan het omgekeerde gebeuren.
Het zou me niets verbazen als dat zo is, want er is al jaren gedoe over de advisering voor het voortgezet onderwijs. Toen ik, een hele tijd geleden, rector was van een streekschool had ik te maken met een flink aantal toeleverende scholen. De adviezen van die scholen kwamen van hoofdonderwijzers, “bovenmeesters”, die zelf les gaven in de hoogste klas van de lagere school.
Mijn ervaring was dat deze ervaren en bekwame onderwijsmensen bijna altijd met goede adviezen kwamen. Dat wil niet zeggen dat hun leerlingen altijd een probleemloze loopbaan hadden in het voortgezet onderwijs. Er zijn immers tal van redenen waardoor leerlingen, in die leeftijd, afgeleid kunnen worden en kunnen struikelen. Maar de inschatting van de onderwijzers over de intellectuele capaciteiten was niet verkeerd. Wellicht ruim zo goed als de Cito-toetsen die jarenlang de toelating hebben bepaald. Je zou denken, als het Cito dit niet kan, wat is het bestaansrecht van het instituut dan?
Maar ja, wacht even. Als èn in het basisonderwijs èn in het voortgezet onderwijs geen duidelijke niveaueisen bestaan, landelijk niet en ook per school niet – dan kun je met toetsen geen uitslag bepalen. Waarschijnlijk verkeert het onderwijs nu in dat stadium. Zelf heb ik indertijd toelating tot het lyceum verkregen door te slagen voor het toelatingsexamen. Zo’n toelatingsexamen heeft één groot voordeel: het legt de verantwoordelijkheid bij de school die de leerlingen toelaat.
Het zou natuurlijk mooi zijn, zo’n expeditiemodel, maar de omstandigheden zijn er niet naar, de weg is nauwelijks begaanbaar en het is te mistig. Vandaar, een onopgelost probleem.
J.C. Traas