Onze adviseur in NRC

7 juli 2011



ROC-voorzitter

25 juni 2011
Hoe het komt weet ik niet maar het gebeurt nogal eens dat mensen die afscheid gaan nemen
van hun baan in het onderwijs, opmerkelijke en behartigenswaardige dingen zeggen. Een
voorbeeld is dhr Franken, bestuursvoorzitter van R.O.C. West-Brabant, die in een interview
in BN DeStem van 24 juni onder meer het volgende zei: ‘Er is een continue opwaartse druk
richting havo en vwo-opleidingen. Maar het is niet zo dat mensen steeds slimmer worden. Een
gediplomeerd mbo-er die zijn hbo-diploma niet haalt kan altijd terugvallen op zijn mbo en aan
het werk. Dat kun je van een uitvaller met een havo-diploma niet zeggen.’
Op de vraag van de journalist hoe hij die tendens wil tegengaan zegt hij: ‘Ik vind dat binnen
nu en vijf jaar het niveau van havo en vwo drastisch omhoog moet door de toelatingseisen
te verscherpen. Dan komt er vanzelf ook meer gang richting vmbo en mbo en zullen meer
kinderen de koninklijke weg bewandelen: vmbo, mbo en eventueel hbo.’
Ik denk dat Franken gelijk heeft. Er is immers, bij de tegenwoordige manier van beoordelen
en bevorderen in het onderwijs, een onmiskenbaar verband tussen het gemiddelde niveau van
de instroom en het bereikte niveau aan het eind van een opleiding. Als de kwaliteit van de
instroom daalt, gaat ook het eindniveau omlaag. En dat is bepaald niet alleen ongewenst voor
het hbo of vwo, maar evengoed voor het mbo en vmbo. Juist die opleidingen kunnen meer
bereiken als zij ook goed gemotiveerde leerlingen met behoorlijke capaciteiten hebben.
Bovendien, het niveau van de opleidingen, zeker in mbo en hbo, heeft nog een extra duw
omlaag gekregen door de toepassing van het competentiegerichte leren. Dat wordt niet langer
ontkend, integendeel, plotseling zijn ook bestuurders erachter dat deze onderwijsvernieuwing
niet zo’n goed idee was. De voorzitter van de Fontijs hogescholen zegt nu ( NRC
Handelsblad 22 juni) dat cgo voor bijna niemand geschikt is : ‘Voor het merendeel van de
studenten werkt al die vrijheid niet; alleen de meest gemotiveerde 5 procent heeft baat bij
deze manier van lesgeven en excelleert daardoor.’
Waarom ben je er dan mee begonnen, zou je zeggen. Volgens Presley Bergen van BON was
invoering van cgo ook een manier om te bezuinigen op bekwame vakleerkrachten, die nu voor
een deel ‘verjaagd’ zijn uit mbo en hbo.
Enfin, het goede nieuws is dat nu eindelijk, ook bij politici en bestuurders is doorgedrongen
dat er veel mankeert aan het onderwijs. Maar dan? Meer geld zou helpen als dat beschikbaar
was; maar, men zou wel kunnen beginnen met het uitvoeren van de suggesties van ROC-
voorzitter Franken met de bedoeling het uit balans geraakte onderwijsstelsel te herstellen.
Cornelis Verhage

Nieuwe Amphora is uit

16 juni 2011

Vandaag is bij onze leden de nieuwe Amphora bezorgd, met daarin o.a.:

De opkomst van de meritocratie

Twee voorbeelden van hedendaags Latijn

Eeen bezoek aan Den Haag in 1660

Vrijheid en identiteit

Internationale vertaalwedstrijd in Napoli

Tempora mutantur… et nos?

Voor het oog van de gymnasiast

Keizer en filosoof

Uit de school geklapt

Makron en zijn makkers

Wilt u dit prachtige blad ook ontvangen? Word dan snel lid.

We maken ons zorgen over onze dalende plaats in de internationale pisatoets. Daarom moeten we voortaan meer aandacht besteden aan de drie kernvakken – Nederlands, Engels en wiskunde – die ook nog eens centraal getoetst moeten worden. We hebben slapeloze nachten door tekortschietende kwaliteit bij onderwijsinstellingen. Daarom willen we dat bonuscultuur en diplomafraude voorgoed tot het verleden gaan behoren. We liggen wakker van het gebrek aan aandacht dat er nu eens is voor passend onderwijs aan achterliggende kinderen, dan weer voor passend onderwijs aan vóórliggende kinderen. Daarom vinden we dat docenten zodanig geschoold dienen te zijn dat ze met zowel het midden als de beide uiteinden van het spectrum uit de voeten kunnen en dat degenen die daarin slagen een prestatiebeloning moeten ontvangen en degenen die daarin falen bestraft of verwijderd moeten worden. We piekeren en we peinzen en zoeken voortdurend naar een vlotte maar vluchtige oplossing vanuit de vage verte.

Waar blijft de tijd voor leerling en docent om vredig uit te vogelen waar de eigen kwaliteiten liggen om deze vervolgens in wederzijds contact verder te vervolmaken? Is alles in het onderwijs van nu werkelijk zoveel beroerder dan in dat van een halve eeuw geleden? Ik geloof er helemaal niets van! Maar het moet tegenwoordig wel allemaal supersnel gerealiseerd worden en op afstand bestuurd, gedocumenteerd tot op de komma, openlijk zichtbaar, controleerbaar voor derden, intersubjectief, goedkoop dan wel gratis of via abjecte beloningsvoorstellen zoals de prestatiebonus. Ik stel voor terug te gaan naar de basisvraag: wat moet een goed docent in huis hebben om zijn leerlingen op de best mogelijke manier naar een verantwoord diploma te brengen? Welnu, goed docentschap zetelt stevig op de heilige driepoot van vakkennis, structuur en passie, met als zittinkje: “wat je uitzendt, krijg je terug”. Haal één pootje weg en de kruk valt om.

Het lijkt een open deur wanneer ik vakkennis als eerste element noem. Het volstaat even terug te denken aan de beroerdste variant van het studiehuis, gebaseerd op de overtuiging dat kinderen sponsjes zijn wanneer het om opzuigen van kennis gaat. Theoretici stelden dat het voldoende zou zijn wanneer de docent vanaf de kant wat aanmoedigingen riep om het kind te stimuleren op de volstrekt eigen weg richting de bij hem persoonlijk passende kennis. Gelukkig zijn veel scholen zo slim geweest dit systeem na gedwongen invoering weer zo snel mogelijk openlijk of verhuld af te schaffen en waren ook veel scholen stiekem zo verstandig het studiehuissysteem helemaal niet in te voeren. Een beetje docent laat zich namelijk zijn vak niet afpakken en legt zich niet neer bij een rol in de marge. De docent weet immers iets dat hij wetenswaardig acht, dat de leerling nog niet weet en waar de leerling in studiehuiszelfstandigheid in het geheel niet zelfstandig achter zou komen. Het is de schone taak van de docent kennis te duiden en zodanig op te dienen dat de leerling hongerig wordt naar meer.

De vorm waarin kennis wordt opgediend – en dat is het tweede pootje van de driepoot – dient rekening te houden met het nog puberende en dus nog niet tot voldoende structurering in staat zijnde brein waar ook onlangs de pers bol van stond. Het is aan de docent de leerstof te structureren en op te dienen in overzichtelijke en hapklare, herkauwbare brokken en om de weg richting de eindtoets te plaveien met tussentoetsen of andere vormen van terugvragen opdat de leerling op elk moment in de kennisverwerving weet hoever hij is en wat er nog moet gebeuren voor betere beheersing.

Wanneer deze stappen met passie gezet worden – passie van de docent voor het eigen vak en voor de zich ontwikkelende puber – dan is er sprake van een ideaal klimaat voor kennisverwerving en zijn er geen maatregelen van buiten nodig en zeker geen prestatiebeloning, die nota bene voorstelt dat de excellente docent een dag minder moet gaan lesgeven om in afzondering een plan de campagne voor zijn collega´s te schrijven. Juist een goede docent minder laten lesgeven, hoe krom kun je denken?

Wat is frustrerender voor een leerling dan te merken dat een docent geen kennis van zijn vak heeft, dat hij zich ongestructureerd een weg kapt door het kennisoerwoud en zich opstelt alsof het ook hem in het geheel niet interesseert? Zulke docenten wens ik mijn ergste vijanden nog niet toe. Geef ons docenten ons vak terug, betaal ons conform onze opleiding en onze kwaliteiten, beoordeel ons op bovenstaande drie punten, school ons bij wanneer we op één of meer van de drie vlakken falen of stel ons voor ander werk te zoeken.

Anneke de Vries (docent klassieke talen en Frans aan rsg de Borgen afd. de Lindenborg in Leek)

Zelfstandige gymnasia groeien en gymnasiale afdelingen aan scholengemeenschappen kwijnen, zo is de tendens van artikelen die de laatste dagen weer in het Onderwijsblad en de NRC (beide d.d. 26 maart jl.) verschenen. “Wij moeten altijd vechten om onze leerlingen”, schijnen docenten aan gymnasia aan scholengemeenschappen te zeggen, volgens het AOB artikel. Wie wil zich immers nog inspannen voor het verwerven van Grieks en Latijn? Niemand natuurlijk, luidt het impliciete antwoord op deze retorische vraag, ondanks de positieve grondhouding van veel docenten klassieke talen. Zelfstandige gymnasia stromen vol, niet dankzij maar ondanks die twee klassieke talen. Vandaar de roep om vernieuwing – lees vereenvoudiging! – van Grieks en (vooral) Latijn, omdat het tegenvalt met CSE-resultaten en leerlingenmotivatie en toch graag een gymnasiumdiploma willen halen. Vandaar het onderzoek van de Verkenningscommissie Klassieke Talen, die in haar eindrapport tot het voorstel kwam de proefvertaling maar af te schaffen en KCV en taal te integreren in twee nieuwe vakken, GTC en LTC. Afgezien van die ondoorzichtige afkortingen die beide vakken anonimiseren, zouden Grieks en Latijn mee moeten doen met de trieste tendens van de moderne talen: alleen vragen stellen over een tekst en nooit verwachten dat leerlingen echt nauwkeurig woord voor woord wikken en wegen en werkelijk doordringen in de onderliggende betekenissen. Jammer, dat ook de toon van de reactie van VCN richting de minister positief is ten aanzien van de door de Verkenningscommissie voorgestelde vernieuwingen. Gelukkig – in mijn ogen – heeft de minister snel besloten de aloude toetsvorm van het proefvertalen te handhaven, zonder eerst een Vernieuwingscommissie in te stellen die al triallend en errorend de zaak nader uit zou moeten testen. Helaas – in de ogen van voorstanders van vereenvoudiging – houdt ze daarmee vernieuwing tegen die bijna impliciet klinkt als verbetering maar dat absoluut niet is. Het besmette begrip ‘leuk’ komt tot vervelens toe langs, want we moeten het vooral ‘leuk’ houden en dan hebben we het bijv. over cultuur, excursies, projecten, You Tube…
‘Leuk’ is in mijn overtuiging binnen dit vakgebied iets geheel anders dan het bovengenoemde. Beide klassieke talen zijn intrinsiek interessant! Ze hebben geen hulp van buiten nodig om boeiend te blijven en geen wegschrapping van de uitdagingen. Juist dat openbreken van de taalkorst – waarbij alle aan de leerlingen in de loop der jaren aangereikte gereedschappen van woordkennis, grammatica en stijlherkenning ingezet dienen te worden – vormt de intellectuele uitdaging die deze vakken kenmerkte, kenmerkt en tot in lengte van dagen moet blijven kenmerken, zo is mijn stelling. Het behoort tot de taak en de passie van de docent het volstrekt eigene van Grieks en Latijn tot interessant gebied te bombarderen. We moeten het niet zoeken in taalontwijkende opleukactiviteiten maar we moeten de talen door en vanuit zichzelf laten spreken: betekenis ontginnen, structuren openleggen en het aldus ontdekte proeven op de tong en proberen te duiden binnen de klassieke wereld en waar nodig door te trekken naar de moderne tijd. Dat is interessant, intellectueel uitdagend en ja, alleen geschikt voor de betere leerlingen die niet bij het eerste het beste struikelblok afhaken. Laten we de klassieke talen handhaven in hun talige formule en laten we het gymnasium handhaven in haar aloude en beproefde vorm.
Anneke de Vries (docent klassieke talen en Frans)

Vandaag heeft de minister in een persbericht bekendgemaakt dat de proefvertaling blijft. Zie hier zowel het persbericht als de resultaten van de door de minister gehouden enquête onder classici.

Terugkoppeling Klassieke Talen EO23174 (2)

def. nieuwsbericht Klassieke Talen versie 2 (3) (1)

Eindrapport van de Verkenningscommissie Klassieke Talen (2010)

door het bestuur van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium
(www.gymnasiumnu.nl)
 
 
Amsterdam, februari 2011
 
Inleiding
Het bestuur van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium heeft grote waardering voor het feit dat de verkenningscommissie een grote hoeveelheid data heeft verzameld ten aanzien van de problemen die zich voordoen bij het onderwijs in de klassieke talen. Het rapport bevat veel behartigenswaardige informatie.
Ook de wijze waarop het belang van de klassieke talen nadrukkelijk wordt aangetoond spreekt het bestuur aan.
Minder overtuigd is het bestuur door enkele aanbevelingen van de commissie. Dit geldt met name voor de aanbevelingen m.b.t.:
 
Het laten vervallen van de Proefvertaling als toetsmiddel op het Centraal Examen (p.53, 9.7.2)
Het voorstel voor een alternatief voor de proefvertaling (p.53, 9.7.1)
Het ontwerpen van een ‘gouden standaard’ (p.52, 8.3)
Het instellen van een ‘Vernieuwingscommissie’ (p. 53, 9.7.1)
De ‘onderdompeling in taal en cultuur’: Twee nieuwe vakken (p. 52, 9.3)
Ondersteuning van de docent (p.54, 9.8.3)
 
 
Ad I. De Proefvertaling als toetsmiddel op het Centraal Examen
 
De commissie stelt voor wat de ‘vertaalopdracht’  betreft een stuk niet eerder gelezen Griekse c.q. Latijnse tekst in het CE te blijven opnemen, maar het begrip daarvan niet te toetsen door het laten vertalen daarvan, maar door het stellen van vragen. Deze wijziging is mede ingegeven door het feit, dat een vertaling niet altijd het volledige begrip toetst. Zo gebruikt de commissie als voorbeeld (en ook als titel van het eindrapport: ‘de blauwe broer’) een zinnetje uit Ovidius, waarbij het mogelijk is dat een kandidaat een correcte vertaling geeft van de twee woorden in kwestie zonder het gebruik ervan te begrijpen.
 
* Met de Minister van Onderwijs is het bestuur van mening dat het voorstel van de Verkenningscommissie om de proefvertaling in het centraal examen te vervangen door een andere vorm van toetsing vooralsnog geen adhesie verdient.
 
Als redenen hiervoor noemt het bestuur:
1. Het gegeven dat het maken van een proefvertaling weliswaar voor veel leerlingen moeilijk is, maar ook voor veel leerlingen wèl haalbaar is. Het lijkt het bestuur good practice om de waarde van het vertalen niet af te meten aan middelmatige leerlingen, maar aan de goede leerlingen, met name op een opleiding die pretendeert de hoogste intellectuele eisen te stellen zoals de gymnasiumopleiding doet.
2. De overtuiging van het bestuur, en het rapport levert hiervoor zelf de argumenten, dat een wijziging in de vorm van selectie van gymnasiumleerlingen, in combinatie met een uitbreiding of andere invulling van het aantal beschikbare lesuren, in hoge mate kunnen bijdragen aan betere resultaten.
Met het vervallen van de proefvertaling in het kader van het CE zou het vertalen als zodanig, als intrinsieke waarde, verloren gaan. Dit is voor het bestuur onaanvaardbaar.
3. Het feit dat de proefvertaling van het CE haar schaduwen vooruit werpt, wat ongetwijfeld waar is, en dat bij het beoordelen van die proefvertaling grote “meetonzekerheden” optreden, wat vast ook waar is. Maar dat als je om deze reden de proefvertaling wilt afschaffen, doel en middel worden verward: gelijk veel leerlingen -die door ons worden opgevoed- stel je je dan op het standpunt, dat kennisverwerving tot doel heeft hoge cijfers te halen[1], terwijl cijfers (slechts) bedoeld zijn als ondersteuning en als meetmethode in het proces van kennisverwerving.
 
* Het bestuur beveelt aan de proefvertaling als toetsmiddel op het CE te handhaven.
 
De redenering dat als de lastige drempel van de proefvertaling verdwijnt het gymnasium weer een tijdje meekan is de afgelopen decennia vooral in het talenonderwijs veelvuldig gebruikt. Inzicht in taalstructuur, grammatica, syntactische mogelijkheden, herkomst en diepere betekenis van woorden, uitdrukkingen en zegswijzen, overeenkomsten en verschillenen tussen de moedertaal en andere talen is echter voor het goed functioneren in een verdere wetenschappelijke loopbaan een onmisbare basis. Geen andere schoolopleiding legt in dit opzicht een betere basis, althans kan deze leggen bij wie daar voldoende begaafd voor is, dan het gymnasium. Het bestuur is daarom van mening dat het leren vertalen van teksten de basis dient te blijven. Verdere verdiepingsvragen over een tekst kunnen van hieruit worden gesteld.
 
* Het bestuur beveelt aan dat de proefvertaling gehandhaafd blijft totdat van een eventueel alternatief is aangetoond dat dit geschikter is.
 
In het jaar 2007 heeft de Vereniging van Rectoren van Zelfstandige Gymnasia het rapport Latijn en de kracht van de vanzelfsprekendheid laten opstellen.[2] De conclusie van dit rapport luidt: er zijn wel degelijk gymnasia waar het goed gaat met de klassieke talen. Kijk naar de scholen waar de klassieke talen floreren en beschouw dit als good practice voor andere scholen om over te nemen.
 
* Wanneer het veelgehoorde argument dat met het beperkte aantal uren de proefvertaling als toetsmiddel niet haalbaar is opgaat, stelt het bestuur voor het aantal uren voor die vakken te vermeerderen, aangezien deze vakken de kern vormen van het gymnasiumprofiel.
 
Met het huidige aanbod bestaat het gevaar dat de gymnasia ten onder gaan aan hun eigen succes. Ze trekken veel leerlingen doordat ze kleinschalig zijn en goed onderwijs bieden.
Het bestuur signaleert in dit verband een discrepantie tussen de werkers in het veld, de classici, die moeten beslissen of (en hoe) in het curriculum strengere eisen aan de vertaalvaardigheid kunnen worden gesteld, wat ten koste kan gaan van leerlingenaantallen.
In de praktijk blijkt dat sommige rectoren om financiële redenen het leerlingenaantal maximaliseren en secties klassieke talen sommeren de beoordelingen op te hogen, om geen leerlingen te verliezen.
Rectoren van gymnasia zouden dapper genoeg moeten zijn om leerlingen weg te sturen die geen interesse voor de klassieke talen ontwikkelen, in plaats van zich aan die leerlingen aan te passen, zoals het eindrapport met haar suggestie voor het afschaffen van de proefvertaling voorstelt.
 
* Het bestuur adviseert met het oog op het behoud van de kwaliteit van de klassieke talen en het gymnasiaal onderwijs in het algemeen de financiering van gymnasia los te koppelen van leerlingenaantallen.
 
 
Ad II. Alternatief voor de proefvertaling
 
Het bestuur sluit niet uit dat voor het toetsen van tekstbegrip een alternatieve vorm gevonden kan worden, maar stelt vast dat het rapport hier geen concrete voorbeelden van levert.
 
* Bij het voorstel het onderdeel proefvertaling op het CE te vervangen door een onderdeel met vragen over een niet eerder geziene tekst heeft het bestuur de volgende vragen:
1. Er is dringend voorbeeldmateriaal nodig dat duidelijk maakt hoe zo’n vorm van toetsing gestalte zou kunnen krijgen: wordt dit een combinatie van kleine stukjes vertalen en vragen over andere stukjes in Multiple Choice?
2. Bestaan er met een dergelijk alternatief ervaringen? Het eindrapport geeft geen verwijzingen naar onderzoek op dit gebied.
De commissie stelt in dit verband bij de voorbereiding op het nieuwe CE een aantal ‘pilot-studies’ voor: deze worden echter niet als ‘experimenten’ omschreven.
 
* Bij het gebruik van de term ‘alternatief’ heeft het bestuur de volgende vraag:
Gaat het hier om een alternatief in de betekenis van ‘een andere mogelijkheid biedend, een keuze latend’? In dat geval vraagt het bestuur waarom aan het einde van het voorgestelde tijdschema niet gesproken wordt van een ‘Beslissing over de invoering van (een) nieuwe testvorm(en)’, maar van ‘Landelijke invoering’ . Bedoelt de commissie met de term ‘alternatief’ in feite een ‘ander’ (nieuw, het oude vervangend)? Ook elders wordt een dergelijke aanpak in de bewoordingen gesuggereerd zonder expliciet gemaakt te worden.
Dit voorstel is ongelukkig, omdat het een voorstel is voor een test waarbij het resultaat van tevoren lijkt vast te staan, om dit vervolgens verplicht en integraal in te voeren zonder dat degenen die het moeten uitvoeren hierover iets te zeggen hebben.
 
* Het bestuur acht de gedachte aan een alternatief aanvaardbaar wanneer sprake is van een experiment, dat mag mislukken.
 
* Het bestuur adviseert het nieuwe voorstel of ‘alternatief’ in de praktijk slechts te toetsen wanneer de oude praktijk voorlopig gehandhaafd blijft en stelt voor op sommige plaatsen een nieuwe examenvorm te gebruiken, op andere scholen de oude vorm te handhaven.
 
* Het bestuur adviseert dat de uiteindelijke keuze voor of tegen het experiment ligt bij degenen die ermee moeten werken, de docenten.
 
 
Ad III. Het ontwerpen van een Gouden Standaard
 
De commissie beveelt aan een ‘gouden standaard’  in te stellen voor scholen en afdelingen waar de klassieke talen wel tot hun recht komen. Anderzijds merkt ze op, dat er ook nu een aantal scholen is waar de vertaalproblematiek bij het CE niet of nauwelijks aanwezig is. Daarop gaat ze niet verder in, behoudens de constatering dat op deze scholen ‘soms’ een aanvechtbare didactiek gehanteerd wordt.
 
* Het bestuur beveelt aan grondiger onderzoek te laten doen naar de oorzaken waarom op sommige scholen de vertaalproblematiek bij het CE niet of nauwelijks aanwezig is.
 
* Ten aanzien van het leren van een taal met behulp van vertalingen, ‘extensief lezen’, heeft het bestuur twijfels over de haalbaarheid: het is lastig, zeker bij klassieke talen en alleen mogelijk als men de taal in kwestie al goed beheerst.
 
Het valt op, dat er in het rapport geen sprake is van een vergelijking met het buitenland op het gebied van resultaten en toetsvorm op het eindexamen. Het bestuur vraagt zich af of vergelijkbare  problemen zich daar ook voordoen en, zo ja, hoe men daarop reageert? Of, als daar geen sprake is van het verschijnsel, hoe het komt dat men het alleen in Nederland waarneemt?
 
* Het bestuur beveelt aan onderzoek te laten doen of zich in het buitenland vergelijkbare problemen voordoen m.b.t. resultaten en toetsvormen op het eindexamen in het buitenland en zo ja, hoe men hierop reageert.
 
Het rapport geeft aan dat de ontwikkeling van deze ‘gouden standaard’ in handen gegeven zou moeten worden van een commissie waarin de verschillende belangenverenigingen zoals verenigd in het Landelijk Overleg Klassiek Onderwijs in Nederland (LOKON) vertegenwoordigd zijn. Het rapport vervolgt met de mededeling dat binnen het LOKON de VCN, de SHZG en de BGV het nauwst bij de ontwikkeling en uitvoering betrokken zullen zijn.[3]
 
* Bij dit voorstel heeft het bestuur de volgende vragen:
1. Waarom worden van de zes partners die het LOKON telt alleen deze drie genoemd?
2. Wat zijn de argumenten van de commissie om de andere drie LOKON-partners bij het ontwikkelen en uitvoeren van de ‘gouden standaard’ niet te willen betrekken?
 
* Het bestuur beveelt aan dat wanneer het LOKON bij het vormgeven van een dergelijke ‘gouden standaard’ betrokken wordt, dit geldt voor alle zes LOKON-partners, t.w. naast de genoemde partners (het VCN, SHZG en BGV) ook de door de commissie in het rapport niet genoemde partners: het Nederlands Klassiek Verbond (NKV), de Vereniging Vrienden van het Gymnasium (VVG) en het Landelijk Overlegorgaan van de Ouderverenigingen van de Zelfstandige Gymnasia (LOZG).
 
 
Ad IV. Het instellen van een Vernieuwingscommissie
 
1. Samenstelling Commissie
De commissie stelt voor, een Vernieuwingscommmissie in het leven te roepen, die een en ander moet uitwerken. Hierbij is de vraag van belang, wie in die commissie zitting moeten nemen: mensen die het met de aanbevelingen van het eindrapport eens zijn, of ook anderen, die kritisch staan tegenover de voorstellen van de vorige commissie?
 
* Het bestuur beveelt aan dat de commissie voornamelijk zal bestaan uit classici met tenminste vijf jaar werkervaring in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
 
* Hiernaast beveelt het bestuur aan de in het huidige gymnasiumonderwijs werkzame leraren die geschikt en bereid gevonden zijn in een dergelijke commissie zitting te nemen, voor deze taken te bezoldigen.
 
2. Benaming Commissie
Het rapport adviseert een veranderkundige in de arm te nemen. Velen zullen zo’n veranderkundige associëren met het verschijnsel uit het recente verleden, dat (achteraf door allen betreurde) veranderingen moesten worden doorgezet, ondanks de “weerstand”van sommige docenten/secties.
 
* Het bestuur adviseert een dergelijke commissie in plaats van ‘Vernieuwingscommissie’ de naam ‘Vervolgcommissie’ te geven.
 
3. Taken Commissie
* Het bestuur adviseert als taken voor deze vervolgcommissie o.a.:
1. te onderzoeken wat de geschiktste manier is om de teksten aan te pakken: in- en extensief lezen, effectieve (ver-)taalstrategieën;
2. te onderzoeken of de praktijk en toetsing (zowel van het SE als van het CE) past bij ‘onderdompeling in taal en cultuur’;
3. te onderzoeken hoe andere vakken op dit gebied toetsen.
 
 
Ad V. De ‘onderdompeling in taal en cultuur’
 
1. De Verhouding Klassieke Talen en KCV
De commissie stelt voor Grieks en Latijn als afzonderlijke vakken te laten bestaan, maar elk te integreren met KCV (Klassieke Culturele Vorming), dat tot dusverre voor alle gymnasiumleerlingen verplicht was, maar niet bij het CE en dus alleen bij het SE getoetst werd. Vragen en/of opdrachten uit het onderdeel KCV zullen nu dus ook deel van het CE gaan uitmaken.
 
* Bij dit voorstel heeft het bestuur de volgende opmerkingen en vragen:
1. Een koppeling van de Klassieke Talen en KCV levert vooral voor wie beide talen wil een zeer groot aantal SLU’s op: de aandacht die bij de voorbereiding op het CE aan dit tot dusver afzonderlijke vak besteed zal moeten worden komt immers in mindering op de tijd die nu voor de ‘talige’ aspecten van het vak gebruikt wordt. Doordat dit vak aan zowel Grieks als Latijn toegevoegd wordt, neemt de omvang van het urenaantal toe voor de (weinige) leerlingen die beide talen kiezen. Waar zij tot dusver 600 uur per taal + 160 uur KCV = 1360 uur besteden aan de klassieke talen, zou dit volgens het voorstel van de commissie worden uitgebreid tot 2×760 =  1520 uur.
2. Een dergelijke koppeling kan ook schoolorganisatorisch (bijv. bij kleinere gymnasiumafdelingen op scholengemeenschappen) problematisch blijken;
3. Gaat KCV als aparte poot op in het nieuwe GTC/LTC, of wordt het echt formeel opgeheven? In dat laatste geval kunnen er problemen rijzen met de vervangende status die KCV op dit moment heeft voor het vak CKV1.
4. Wat gebeurt er met leerlingen van scholengemeenschappen op het Atheneum en de H.A.V.O. die KCV willen doen?
5. Wat gebeurt er op scholengemeenschappen met leerlingen uit klas V en VI die willen stoppen met GTC/LTC?
6. Bij de opbouw van het curriculum verdient het de aanbeveling te kijken naar andere talen waar reeds veel onderzoek is gedaan naar de wijze waarop taalverwerving plaatsvindt.
7. Het verdient aanbeveling onderzoek te doen naar mogelijkheden voor een opbouw per genre/thema, waarbij naast een algemeen gedeelte (met KCV erin) de leerlingen al naargelang het gekozen vak Griekse en/of Latijnse teksten lezen.
8. Het voorbeeld van de “blauwe broer” toont aan, dat vertalen zonder kennis van de culturele context van het origineel onmogelijk is. Dit wordt in het rapport soms onderkend, op andere plaatsen wordt echter uitgegaan van concurrentie tussen vertalen en verwerving van kennis der cultuur (zero-sum-game).
 
2. Cultuur
Enkele decennia geleden is besloten ‘reflectie op de klassieke teksten en hun doorwerking op de Europese cultuur’ als eindterm op te nemen. De commissie vraagt om meer expliciete aandacht voor onderwijsdoelen die tot dusver wel als zodanig geformuleerd waren, maar niet in uitgewerkte vorm deel uitmaakten van het lesprogramma en het CE, zoals reflectie op klassieke teksten en receptiegeschiedenis.
 
* Het bestuur heeft bij dit voorstel de volgende vraag:
Meer aandacht voor deze aspecten in de lespraktijk en bij het CE zal vanwege de beperkte hoeveelheid uren nadelige consequenties hebben voor andere onderdelen. Wordt bij uitbreiding van het aantal te lezen teksten, zoals het rapport voorstelt (zij het ‘extensief’ met behulp van vertalingen) dan niet teveel hooi op de vork genomen?
Vertalen kan juist een geschikte aanleiding zijn voor cultuurinteresse, tenzij men ‘vertalen’  opvat als slechts het ‘overzetten (van woorden)’.
 
                                                                                                                       
Ad VI. Ondersteuning van de docent
 
Een belangrijke kwestie die in het rapport zijdelings aan de orde komt maar niet in volledige samenhang gepresenteerd wordt is het punt van de nascholing. De commissie pleit voor meer en betere nascholing op het gebied van de taaldidactiek. Elders legt ze uit, dat de invoering van het Bachelor-Mastermodel op de Nederlandse universiteiten geleid heeft tot bredere curricula, waarin de kernvakken inkrimpen. Het aandeel van de talen en de teksten neemt derhalve af. Men hoort ook Master-studenten opmerken, weinig authentieke teksten onder ogen te krijgen. Hieruit vloeit voort, dat de kennis van taal en literatuur, die  bij het afstuderen aanwezig is, afneemt.
* Het bestuur adviseert om bij de lerarenopleiding niet alleen aan de didactiek van de vakken  aandacht te besteden, maar ook in ruime mate te werken aan de kennis van de inhoud van de vakken waarvan men zich de didactiek eigen moet maken.
 
Algemene vragen en opmerkingen m.b.t. het Eindrapport:
Bij het Eindrapport heeft het bestuur de volgende vragen:
1. Volgens het rapport gaan we ‘meer’ doen: wat wordt daaronder verstaan?
2. Maakt het rapport voldoende duidelijk wat men wil dat leerlingen met Grieks en/ of Latijn doen/ gedaan hebben: wat moet de opbrengst zijn aan het einde van de rit?
3. Er wordt een veldraadpleging van de schoolleiders beoogd: worden daarmee ook de schoolleiders van Scholengemeenschappen bedoeld?
 
Namens het bestuur van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium,
 
 
 
 
Drs. A.H. Boissevain                                                 Drs. A.M. Kutsch Lojenga-Rietberg
(voorzitter)                                                                (secretaris)
 
 
 

[1] “To teach to the test” hoort hier ook bij.
[2] Waslander, S., Barkmeijer, I., & Holwerda, A. (2009), Latijn en de kracht van de vanzelfsprekendheid. Een onderzoek naar succesbevorderende en succesbelemmerende factoren bij het vak Latijn op zelfstandige gymnasia. Groningen.
[3] Zie p.35: ‘Binnen het LOKON zijn de VCN, de SHZG en de BGV de stakeholders die het nauwst bij de ontwikkeling en uitvoering betrokken zullen zijn.

Tegen de barbarij

19 februari 2011

Erasmus en het onderwijs

18.12.2010 t/m 08.01.2012

500 Jaar geleden, in 1511, verscheen de eerste editie van de Laus Stultitiae, de Lof der Zotheid. In deze beroemde satire neemt Desiderius Erasmus van Rotterdam, alle geledingen van de Europese samenleving van zijn tijd op de hak, ook het onderwijs en de onderwijzers.
Het Nationaal Onderwijsmuseum grijpt de 500ste verjaardag van dit boek aan als vertrekpunt voor een tentoonstelling. De tentoonstelling legt de bezoeker de uitgangspunten van Erasmus’ ideeën over onderwijs voor en roept nieuwe vragen op. Erasmus’ ideeën worden getoetst aan de werkelijkheid van vandaag: is onderwijs van nu gericht op morele vorming van mensen of levert het enkel arbeidskrachten? Wordt taalonderwijs nog gezien als voorwaarde voor beschaving en geluk? En welke rol spelen de klassieke auteurs daar nog in?
Erasmus reisde gedurende zijn leven door vele landen in Europa en werd een voorbeeld voor allen die menen dat beschaving de enige remedie is tegen oorlog en intolerantie, en dat die beschaving vanuit de moreel gevormde mens zelf komt.
Het Nationaal Onderwijsmuseum nodigt u uit om te komen kijken of en hoe de ideeën van deze eerste ware Europeaan vandaag de dag voortleven in het onderwijs in Nederland en ons omringende Europese landen.

Vul onderstaande velden in om u aan te melden voor de Jaarvergadering op zaterdag 19 maart 2011 in Utrecht.

Naam (verplicht)

E-mail deelnemer

Straat en huisnummer deelnemer(verplicht)

Postcode (verplicht)

Woonplaats (verplicht)

Aantal personen waarmee u komt(verplicht)

Meldt zich aan voor:  de jaarvergadering de rondleiding door het museum

Uitnodiging Algemene Ledenvergadering 2011
zaterdag 19 maart a.s.
Museum Speelklok te Utrecht
De Algemene Ledenvergadering van onze Vereniging vindt dit jaar plaats in Museum
Speelklok te Utrecht. Op deze dag worden traditiegetrouw de prijzen uitgereikt aan de
winnende leerlingen van de vertaalwedstrijd Latijn die op donderdag 27 januari jl. werd
gehouden in het Vossius Gymnasium te Amsterdam. De middag wordt besloten met een
rondleiding door dit bijzondere museum en een borrel. Al onze leden zijn nadrukkelijk
uitgenodigd deze bijeenkomst bij te wonen: Docenten Muziek en hun leerlingen in het
bijzonder.

Programma:
13.30 – 14.00 Ontvangst in de Transeptzaal (2e verdieping) met koffie en thee
14.00 – 15.00 Algemene Ledenvergadering
15.00 – 15.15 Theepauze
15.15 – 15.30 Prijsuitreiking Vertaalwedstrijd 2011
15.30 – 16.30 Rondleiding Museum
16.30 – 17.00 Borrel
Museum Speelklok
Museum Speelklok is een van de vrolijkste musea van Nederland, waar carillonklokken,
pianola’s, de zingende nachtegaal, straat-, kermis- en dansorgels allemaal te vinden zijn.
Zowel senioren als jonge kinderen, muziekliefhebbers, techneuten, ingetogen luisteraars en
uitbundige meezingers: iedereen is welkom.
Museum Speelklok werkt samen met het Utrechts Centrum voor de Kunsten en de Gemeente
Utrecht in het scholenprogramma ‘Museum voor de Klas.’
Bereikbaarheid:
Wij adviseren u dringend om niet met de auto naar het centrum van Utrecht te komen op
zaterdagmiddag. De parkeermogelijkheden zijn gering en kostbaar. Het museum bevindt zich
op 10 minuten loopafstand van Centraal Station Utrecht. Per openbaar vervoer is het museum
vanaf het Centraal Station bereikbaar met Stadsbus 2, halte: Domplein.
Evt. parkeren kan in de parkeergarage op de Springweg (nabij het Utrechts Conservatorium
op de Mariaplaats) of bij Winkelcentrum Hoog Catherijne.
Gegevens:
Museum Speelklok
Transeptzaal (2e verdieping, lift en garderobe boven aanwezig)
Steenweg 6
3511 JP Utrecht
T: 030.2312789
E: info@museumspeelklok.nl
www.museumspeelklok.nl
Deelnemers Griekenlandreis
Deelnemers aan de Griekenlandreis zijn uitgenodigd om voorafgaand aan deze bijeenkomst
in besloten kring een eerste kennismakingsronde bij te wonen onder leiding van reisleider en
bestuurslid drs. Simon Veenman. Locatie: Museum Speelklok, Transeptzaal. Tijd: 13.00 –
13.30 uur.

Jacqueline de Romilly, lid van de Académie Française en Griekenland-specialiste, is zaterdag op 97-jarige leeftijd overleden. In 1988 was ze de tweede vrouw die lid werd van de Académie, na Marguerite Yourcenar. De Romilly was de eerste vrouw die professor werd aan het Collège de France.

Zie hier een mooi filmpje.