Tegenstrijdigheden

Hebben leerlingen op havo en vwo tegenwoordig een makkelijk leventje met veel vrij en een beperkte hoeveelheid leerstof of wordt er juist heel veel van de leerlingen gevraagd, zelfs zodanig dat ze er overspannen van raken? Mijn indruk is dat, hoe paradoxaal het ook lijkt, beide vragen bevestigend beantwoord kunnen worden.

Een deel van het antwoord haal ik uit een lezing van Riemke Leusink, rector van het Christelijk Lyceum Zeist, die zij hield voor de Vereniging van Classici Nederland. (Bulletin van de VCN, april 2016). Zij merkt op dat veel kinderen niet goed leren met teleurstellingen en tegenslagen om te gaan. En zegt dan: ‘Er wordt vaak gepleit voor meer maatwerk: het onderwijs moet zich aan het kind aanpassen en niet andersom. Alle onderwijs moet ‘passend’ gemaakt worden. Kinderen krijgen vrijstellingen voor onderdelen die ze moeilijk vinden. Veel docenten vinden dat er niet op spelfouten gelet moet worden, want dan rem je de talige creativiteit. Kinderen hoeven betrekkelijk weinig feiten te leren (weinig ‘stampen’). Ik zat vroeger gemiddeld drie uur per dag aan mijn huiswerk, dat mag nu niet meer dan anderhalf uur zijn. Studenten aan de universiteit besteedden in 1961 nog 24 uur per week aan hun studie (buiten de colleges om) en nu nog maar 14 uur per week. De rest van hun week gaat vooral naar gezelligheid. De meeste vakken zijn de afgelopen jaren makkelijker geworden, zo hoor ik van docenten. De exameneisen zijn omlaag gegaan.’

In het themanummer van De Groene Amsterdammer van 21 april staat een artikel over de nieuwe mode om naast het reguliere onderwijsprogramma een extra tweede ‘lesaanbod’ te geven: bijv. externe diplomering voor vreemde talen, speciale programma’s van universiteiten en hogescholen. Het artikel van Ditty Elmers stelt:

‘Van oudsher was differentiatie in het Nederlandse onderwijs vooral gericht op het wegwerken van achterstanden. De zwakke leerlingen kregen extra ondersteuning, de best presterende leerlingen moesten het zelf maar uitzoeken. Op de basisschool mochten ze hooguit wat extra klusjes doen, als ze de verplichte stof af hadden. Daarna zaten ze vaak één of twee jaar duimen te draaien in een brede brugklas waar het niveau was afgestemd op de gemiddelde havo/vwo leerling. Hun hele middelbare schooltijd volgden ze hetzelfde programma als minder begaafde klasgenoten.’

De laatste zin geeft eigenlijk al een antwoord op de vraag waarmee ik begon. Toen na de invoering van het Mammoetstelsel ouders serieus werk gingen maken van het onderwijs als ladder naar maatschappelijk succes voor hun kinderen kwam de grootste druk bij het vwo. Het onderwijs werd allengs niet meer afgestemd op de knapste leerlingen, zoals in de tijd van de H.B.S. en het oude Gymnasium, maar op de verbrede groep die ook toegang moest krijgen tot het hoger onderwijs. Hoger onderwijs voor velen, nietwaar.

Maar voor de groep die eigenlijk niet geschikt is maar toch zo graag wil – of wellicht beter gezegd, van wie de ouders het zo graag willen, is het onderwijs nog steeds moeilijk en vol stress en faalangst. De ‘bandbreedte’ van het vwo is te ruim geworden waardoor de knapste leerlingen tekort komen en worden vertraagd, terwijl de zwakkere leerlingen met kunst en vliegwerk aan een diploma geholpen moeten worden. Daardoor krijg je enerzijds die aparte programma’s voor ‘excellente’ leerlingen, anderzijds de bijspijkercursussen, herkansingen en bijlessen voor de tobbers. Het vwo is eigenlijk een soort middenschool geworden.

J.C. Traas