Lekker makkelijk

Het nieuws dat kinderen van laagopgeleide ouders – gelet op hun Cito-score – vaker een laag schooladvies krijgen dan kinderen van hoogopgeleide ouders, heeft veel aandacht gekregen in de media. Alleen al in NRC-Handelsblad van 16 april levert het vier artikelen op plus een hoofdartikel. Andere kranten zullen er ook over geschreven hebben.

Maar hoe? Eén van de artikelen  in NRC Handelsblad lijkt wel overgeschreven uit de knipselkrant van de jaren zeventig van de vorige eeuw. De redactrice Juliette Vasterman schrijft zonder aarzelen op: ‘Uit onderzoek blijkt dat de ongelijkheid tussen sociale milieus groter is in landen waar men vroeger selecteert.’

Hier kun je wel tien vragen over stellen maar het komt in feite neer op een hernieuwd pleidooi voor de middenschool. Maar ja, dat is al in de jaren zeventig en tachtig geprobeerd – en het is niet gelukt, en evenmin het voortgezet basisonderwijs en de verlengde brugperiode. Het is allemaal bekend, het is rijk gedocumenteerd. Maar kennis van het verleden is blijkbaar geen vereiste voor iemand die over het onderwijs schrijft.

Voor de schrijfster is de conclusie onomkoombaar: ‘Kinderen van laagopgeleide ouders krijgen dus minder kansen. Die leerlingen krijgen gemiddeld een lager advies voor het voortgezet onderwijs dan voorheen, terwijl ze in potentie even goed zijn als de kinderen van hoogopgeleide ouders.’

Hier raken we aan de kern van de zaak. De Cito-toets registreert alleen, is objectief, maar houdt geen rekening met achtergrond of persoonlijkheid van de leerlingen. De onderwijzer doet dat wel en adviseert, op grond van zijn kennis en ervaring, wat haalbaar is voor de leerling.

En sommige milieus zijn gewoon gunstiger voor een geslaagde loopbaan in het onderwijs dan andere. Ik herinner me een meisje dat het goed deed in 4-athenaeum maar niet langer op school bleef omdat haar ouders en haar broers en zusters het zo ongezellig vonden dat zij elke avond aan haar huiswerk bezig was.

Dan moet je zeggen : het talent is er wel maar de omgeving is een belemmering. Overigens, het omgekeerde komt ook voor : de omgeving is stimulerend maar het talent schiet tekort. De ambitie van ouders kan heel heftig zijn: als dan de kinderen ondanks hard werken en veel steun het toch niet redden – wat soms pas in het hoger onderwijs definitief blijkt – komt de klap heel hard aan.

Daarom, sociologen en journalisten denken te gemakkelijk over de problematiek en zijn geneigd tot simplificaties.

Zoals een andere schrijfster in NRC Handelsblad, Marike Stellinga, die over de gelijke kansen zegt: ‘Als het hier zo flagrant fout zit, zou heel Den Haag op zijn achterste benen moeten staan, zou elke leraar zijn vooroordelen onder een vergrootglas moeten leggen, zouden wij burgers verontwaardigd om actie moeten schreeuwen.´

Gelukkig is het hoofdartikel heel wat evenwichtiger. Dat eindigt als volgt : ‘Al met al moet er alles aan gedaan worden om alle leerlingen naar het schooltype te geleiden dat het best past. Waar ze ook geboren zijn, ze horen niet gefnuikt te worden in hun toekomstperspectief. En dat geldt voor beide kanten van de kloof: wie te hoog reikt zit even klem als wie te laag grijpt.’

J.C. Traas