Drie leuke dingen voor de mensen

De dyslexiehoogleraar Anna Bosman  van de Radboud Universiteit in Nijmegen zegt dat dyslexie een gevolg is van slecht onderwijs. ‘Er wordt te weinig geoefend en er moet ouderwets gestampt worden’, meent zij. En ze krijgt bijval van collega-wetenschappers. ( BNDe Stem 9 febr. 2017).

De groei van het dyslexie-probleem ging ongeveer gelijk op met de afbraak van het klassikale, gedisciplineerde onderwijs in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Het zijn blijkbaar communicerende vaten. Een belangrijke factor is geweest dat dat de pedagogische academie veel minder kwaliteit had en aantrok dan de oude kweekschool.

Mijn idee is dat er natuurlijk ouderwets geoefend moet worden  om de basisvaardigheden te verwerven: pas dan gaan ze een leven lang mee.

Dat brengt mij op een tweede punt, in hetzelfde nummer van de krant.

Een maatregel van het ministerie, nog maar zeer recent ingevoerd, blijkt gevolgen te hebben die ongewenst worden geacht, maar die gemakkelijk te voorzien waren.

De instroom van jongens en allochtonen op de pabo is dramatisch gedaald sinds de verplichte toelatingstoets is ingevoerd. ‘Sindsdien’, zegt iemand van de Hogeschool Windesheim in Zwolle, ‘zijn het in toenemende mate witte meisjes van de havo die naar de pabo komen.’

De jongens en de allochtone jongeren die men wil aantrekken kwamen vooral uit het mbo maar voor hen is de toelatingstoets een lelijke hindernis. Dus, nu wil men een ‘pre-pabo’ of doorstromingsklas inrichten voor mbo -ers om ze naar de pabo te helpen.

Een moeilijk probleem derhalve, ontstaan door een decennia-lange verlaging van het niveau van de onderwijzersopleiding. Iedereen kon erheen. Nu men de opleiding wil versterken is het niveau weer te hoog. Hoewel, die havo-meisjes zijn vaak ook maar vederlicht en gaan uiteraard voor het merendeel part-time werken. Die jongens van het mbo, hetzij zwart of wit, hebben, vermoed ik, vaak niet het intelligentieniveau dat gewenst is om in het basisonderwijs te werken en zijn dan  ook niet opgewassen tegen de bedilzucht van managers en begeleiders.

Het derde nieuwtje, nou ja, nieuwtje, komt uit NRC Handelsblad van 9 februari 2017. De kop luidt : ‘Is de wetenschap te eenzijdig en te politiek gekleurd?’ De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen om deze vraag  nader te onderzoeken. Het zou vooral moeten gaan om studies  als psychologie en sociologie en aanverwante vakken, zoals, zeg ik er meteen maar bij, onderwijskunde.

Deze studies zijn al in geen vijftig jaar onbevooroordeeld – en misschien wel nooit geweest. Vooral de onderwijskunde heeft het bont gemaakt. Al sinds de jaren zestig was het vanzelfsprekend dat men als student en later als wetenschapper links georiënteerd was, dus vóór de middenschool, voor inspraak voor alle geledingen, tegen het gezag van de rector, tegen autonomie van de leraar, tegen handhaving van het niveau, tegen waardevaste examens enz.

De aanvoerders van deze beunhazen hadden misschien niet zo veel verstand van onderwijs maar des te meer van manipuleren en macht uitoefenen: op basis van twijfelachtig of vooringenomen onderzoek bekend maken dat het onderwijs hervormd moest worden, er naar streven sleutelposities in handen te krijgen, altijd vriendjespolitiek toepassen, tegenstanders negeren, zwart maken of boycotten, nooit verantwoordelijkheid aanvaarden voor mislukkingen, elkaar belonen , ook na wanbeleid. Het is allemaal bekend en gedocumenteerd.

Men kan zeggen dat er nu toch een VVD-staatssecretaris is, zeker, maar al is hij minder fanatiek, hij is ook niet slimmer dan zijn voorgangers. Het resultaat is vooralsnog: met pappen en nathouden blijven tobben.

Maar toch, twee van de drie hiervoor genoemde berichten geven een sprankje hoop. Sommige mensen durven weer wat te zeggen, er komt meer ruimte voor realisme en dat zou kunnen leiden tot verbetering.

 

J.C. Traas