Onoplosbaar probleem

Door de perikelen  van de corona epidemie kwam het onderwijs extra in de belangstelling. Wat door ouderen nog wel eens vergeten wordt is dat het onderwijs in de laatste halve eeuw een zeer grote organisatie is geworden die het leven van vele miljoenen beheerst.

De groei van het onderwijs, van een instelling voor weinigen naar een systeem voor velen – naar een bijna alles omvattend geheel – is , in de periode van 1960 tot heden, enorm geweest. Beleidsmakers, zowel in Den Haag als ook plaatselijk, hebben zich vooral bezig gehouden met de vraag of er geld en middelen genoeg waren om de groei te realiseren.

Men heeft zich weinig verdiept in de vraag : ‘Wat gebeurt er als?’. En nu zich steeds meer problemen voordoen is dat nog steeds zo: men meent met een extra greep uit de schatkist alles wel glad te kunnen strijken.

Men ziet niet dat de belangrijkste problemen in feite niet oplosbaar zijn. Neem het lerarentekort. Vóor de grote veranderingen ging een beperkt aantal kandidaten naar de kweekschool of de lerarenopleiding. Zij moesten een bovengemiddelde intelligentie hebben en bereid zijn hard te werken om een behoorlijk veeleisende studie te volbrengen.

Maar het enkele feit dat er nu zo veel meer onderwijzers en leraren nodig zijn brengt met zich mee  dat men veel minder hoge eisen kan stellen dan voorheen. Hetzelfde doet zich uiteraard voor in het hoger onderwijs: ook daar wordt plaats ingeruimd voor middelmatig talent. De Engelse schrijver Kingsley Amis zei hierover al in de jaren zeventig: ‘More means less!’

Men zou natuurlijk, terugkijkend naar het verleden, een stap terug kunnen doen: beter selecteren voor en in het voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs krachtig bevorderen en zoveel mogelijk praktijkgericht maken. De financiering van het onderwijs aanpakken met als doel meer invloed te geven aan de mensen die de  praktijk van het onderwijs kennen. Onderwijskundige betweters buiten zetten. Van vakkenvuller tot docent, van leerkracht tot leraar, dat zou al een stuk schelen.

Maar ik moet toegeven dat het besef dat het heel slecht gaat met het onderwijs niet erg groot is. Er zijn slechte resultaten voor de basisvaardigheden, geen brede basis maar verdere versmalling, geen streven naar verdieping maar acceptatie van oppervlakkigheid. Het is een soort cultuur geworden die haar zwakheid laat zien als populisten en praatjesmakers traditionele waarden aanvallen: door gebrek aan kennis, door gemakzucht laat men zich van alles wijsmaken. 

Een verschil met vroeger is dan nog dat de oude verbanden van familie, kerk, politieke partijen en verenigingen voor een groot deel zijn weggevallen, zodat ook daar geen houvast te vinden is. Dat is voor veel mensen, en zeker ook voor jongeren, moeilijk.

Kan de school, die nu zo’n groot beslag legt op het leven van de jongeren, de rol die de vroegere verbanden hadden, wellicht overnemen en voor een ‘common culture’ zorgen?

Dat kan als de school daarop ingericht is zoals o.a. Engelse particuliere scholen. Daar hoort bij een bepaalde school ook een bepaalde habitus en een stuk gemeenschapsgevoel dat een leven lang stand kan houden. Ook studentenverenigingen kunnen daar trekken van vertonen. 

Maar onze middelbare scholen zijn juist steeds verder van die gemeenschappelijkheid en vastigheid af gaan staan door losse massaliteit, steeds wisselende leraren, individuele leerwegen, keuzevakken, deelvakken, uitval van lessen, onechte lessen enz. 

En ook al lijkt het heel wat gemakkelijker geworden om een diploma te halen, dat is toch niet het geval voor degenen die ook met het verlaagde niveau moeite hebben. De lat ligt wel lager maar is nog steeds te hoog voor sommigen. Daarom is het niet verbazend dat gezegd kan worden: ‘Jonge mensen leven onder immense druk, van hun ‘peer group’, zichzelf, hun ouders, hun opleiding, social media’ ( Marc Tuitert in NRC van 26 juli).

De school kan niet voor al die problemen aansprakelijk gesteld worden, maar zou méér kunnen doen,  De meeste scholen zijn daartoe niet in staat: ze zijn niet veel meer dan een doorgangshuis, ze zijn geen plaats die geborgenheid biedt, interesse wekt, een plaats die uitnodigt om samen te werken, maar ook om te excelleren.

Door de enorme sociale veranderingen is er een cultuuromslag gekomen , maar is er voor die oude ideeën en gewoonten ook iets van waarde teruggekomen? In ieder geval minder dan je zou hopen.

J.C. Traas