Archief van de categorie Columns

Mammoettanker

zondag 16 oktober 2011

In de hoogtijdagen van de onderwijsvernieuwing mocht toenmalig minister van Kemenade graag het beeld gebruiken van het onderwijs als mammoettanker: je kunt bij zo’n groot vaartuig niet zo gemakkelijk de koers verleggen als je zou willen, dat moet geleidelijk.

Niettemin, de koers werd , vanaf de jaren zeventig wel degelijk gewijzigd, in feite tot de dag van vandaag, met het gevolg dat de tanker nu vast gaat lopen op de zandbanken van verkeerde beslissingen. Schaalvergroting, niveauverlaging, afkalving van gezag, bureaucratisering, verspilling van tijd en geld – het is in wezen een voortgaand proces.

Opmerkelijk is ondertussen dat sinds een jaar of tien bijna alle betrokkenen: de reders, de aandeelhouders, de stuurlui en de matrozen, heel goed weten dat er eigenlijk een andere koers gevaren moet worden maar dat dit toch niet gebeurt. Het lijkt wel alsof het schip al gestrand is en muurvast zit.

Dat beeld bleef ook bij mij hangen na het zien van ‘De avond van het onderwijs’ op televisie ( 3 oktober). Men zou spreken over de gezagscrisis in het onderwijs maar deed het niet, en over de kwaliteit van het onderwijs maar het bleef bij vage beweringen. Onder andere van de minister van Onderwijs die ‘heeft aangegeven’ dat zij wil ‘inzetten’ op kwaliteit.

Er was nog één onderwijskundige die meende dat ons onderwijs nog steeds uitstekend is – wat ook zou blijken uit internationale vergelijkingen – maar verder was er in de opiniepeiling een verheugende verschuiving zichtbaar ten gunste van degelijk onderwijs, gegeven door gezag hebbende en goed opgeleide leraren. Wat in belangrijke mate ontbrak was de stem van de praktijk.

Die vond ik een dag later wel in een uitstekend artikel van Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad, Zij was op bezoek geweest bij één van de ‘leraren van het jaar 2011’. Bijna had ik het stuk overgeslagen omdat ik dergelijke verkiezingen onzin vind maar de inhoud was de moeite waard. De lerares om wie het gaat is werkzaam op een ROC in Ede en geeft les aan jongens en meisjes vanaf 16 jaar die voorbereid worden op een baan in het leger. Jannetje Koelewijn vraagt: ‘Zouden andere leerlingen ook baat hebben bij meer discipline?’

De lerares:’Hoe meer rust, orde en structuur je biedt hoe meer je lessen gewaardeerd worden. Straks ga ik een rekenles geven, dat vonden de jongens eerst onzin. Ik zeg: jij gaat breuken oefenen en jij procenten. Het is lang weggeweest hè, maar nu doen we het weer. Je bakt een taart met acht eieren, hoeveel eieren heb je nodig voor een halve taart? Ze hebben geen idee. Wisselgeld narekenen bij de kassa? Rente uitrekenen over een hypotheek? Kunnen ze niet. Ik denk: straks zijn ze soldaat, maar hebben ze ook een gezin. Toch handig als je die dingen weet.’

Vraag van Jannetje Koelewijn: Waarom hebben we dat in Nederland zo laten lopen? De lerares: ‘Weet jij het? Algemene softheid? Bij docenten zie ik het ook. Je kunt het nog zo bont maken, elke dag om twee uur zonder tas naar huis, nooit een les voorbereiden, altijd wanorde in de klas, maar je houdt je baan.’ Ik raad ieder aan het hele artikel op te zoeken en te lezen.

Cornelis Verhage

Als je dat denkt deug je niet

zondag 11 september 2011

Er is de laatste tien jaar heel wat veranderd in het politieke klimaat in Nederland. Het Kamerlid Frans Timmermans schrijft hierover in NRC Handelsblad van 7 september. Tegenwoordig zien we in de politiek een stroming van rechts-radicalisme, zegt hij, terwijl we in het verleden een tijd van links-radicalisme hebben beleefd. Dat laatste heeft naar mijn mening meer dan twintig jaar een stempel op het onderwijsbeleid gedrukt. Aanvankelijk ging het over verschillende standpunten met betrekking tot de toekomst van het onderwijs maar al gauw werden die door de ‘vernieuwers’ gekoppeld aan ‘progressief’ of ‘condervatief’, of, zo men wil, links of rechts. De polarisatie die hierdoor ontstond , ging ver. Jonge leraren afkomstig van de nieuwe lerarenopleiding kwamen progressief geïndoctrineerd op de scholen en eisten bijvoorbeeld ‘medezeggenschap voor alle geledingen’. Het kostte soms moeite die beginnende leraren – hoewel de praktijk een goede leermeester was – ervan te overtuigen dat het onderwijs niet met slogans te verbeteren valt.

Ik herinner me dat er onder andere het streven was om alle gymnastieklessen ‘gemengd’ te geven, omdat dit gunstig voor de emancipatie was. Leerlingen moesten ruimte krijgen om zich te ontplooien en dosten zich vaak potsierlijk uit terwijl het leren erbij inschoot. Van tijd tot tijd werd geroepen dat de examens moesten worden afgeschaft – en dat gebeurde soms ook. Kinderen konden gelukkig worden op de middenschool, zeker niet op het gymnasium, dus dan kon beter verdwijnen.

Maar daar bleef het niet bij, van mensen die er ‘foute’ ideeën over onderwijs op na hielden , werd ook verondersteld dat ze over andere kwesties – kernwapens, Vietnam, abortus – ook wel fout zouden denken. Het was een soort totaalpakket. En omdat mensen met behoudende opvattingen over onderwijs in feite niet deugden was het ook geoorloofd hen te boycotten in de media, hen te verhinderen promotie te maken in het openbaar onderwijs of in functies bij overheidsinstellingen. De lijst is lang en hier en daar, zoals bij de onderwijskunde, is er nog maar weinig veranderd.

Maar ondertussen zien wij nu in de laatste jaren  dat de neiging bestaat om sommige oude, toen reactionair geachte denkbeelden weer naar voren te brengen, zoals het gescheiden les geven van jongens en meisjes.

En de publiciste Heleen Crul breekt een lans voor het dragen van schooluniformen door leerlingen (NRC Handelsblad, 10 september). Dat was ‘toen’ uiteraard uit den boze, een uniform deed denken aan het leger, en het was nog elitair ook. Toch valt het best mee. Enige tijd geleden zag ik mijn kleinzoon van vier, die naar school gaat op een ‘Engelse’ school in het buitenland. Hij droeg een petje, jasje-dasje met badge, korte broek tot op de knieën, kniekousen en degelijke schoenen. Hij ondervindt geen hinder van zijn uniform. Ik bedoel maar, het is belangrijk om over onderwijszaken onbevooroordeeld te oordelen, zonder etikettenplakkerij van links of rechts. Elke keer moet de vraag beantwoord worden: hoe functioneert het in de praktijk. Dat moet het criterium zijn op grond waarvan men oordeelt, niet de partijlijn  of de doctrine.

En tenslotte, elk bestuur, elke organisatie die geen ruimte biedt voor afwijkende meningen, die in maffia-achtige beslotenheid opereert, deugt niet. Dat kwaad moet nog steeds, met argumenten, bestreden worden.

Cornelis Verhage

Dit bericht hoort bij de categorie Columns | Geen reacties »

Let op de Chinezen

maandag 22 augustus 2011

Het nieuws van de afgelopen zomer is, wat het onderwijs betreft, niet bijzonder verrassend. Hele verhalen over de suggesties van dhr Kuiper, voorzitter van de Besturenraad van christelijke scholen, dat jongens en meisjes erbij gebaat zouden zijn om voor sommige vakken gescheiden onderwijs te krijgen. Grotendeels is dit natuurlijk een ‘non-issue’ want er zullen heel weinig scholen zijn die over de middelen beschikken om dit plan te realiseren. Los daarvan, hoe functioneert naar sexe gescheiden onderwijs in de praktijk?

Er zijn nog wel leraren en oud-leraren aan wie je dit kunt vragen. Immers , vóór de invoering van de Mammoetwet was er de middelbare meisjesschool, de M.M.S. , die met de nadruk op het talenonderwijs, vaak een prima opleiding verzorgde. Ook de huishoudschool heeft op haar manier tientallen jaren goed gefunctioneerd.

Op de H.B.S. kwam het trouwens regelmatig voor dat bepaalde klassen alleen jongens hadden. In Bordewijk’s roman ‘Bint’ wordt verteld dat er in de klas die met ‘de hel’ wordt aangeduid, maar één meisje zat, Schattenkeinder: ‘De vrouw Schattenkeinder was een sloddervos met een ragebol’.

In het algemeen gaven leraren de voorkeur aan gemengde klassen en als er een jongensklas dreigde te ontstaan, had men er toch graag een paar meisjes bij. Meisjesklassen vragen van de leraar een enigszins andere instelling, een ‘feeling’  om een zodanige sfeer te creëren dat er goed gewerkt kan worden. Maar verder is het natuurlijk vooral de instelling van ouders en leerlingen en het karakter van de school dat bepaalt wat er mogelijk is.

In Engeland zijn de beste middelbare scholen in het middelbaar onderwijs, onder andere Eton en Harrow, waar prins William en prince Harry op school zaten, nog steeds ‘single sex’ scholen. Overigens, er zijn ook voortreffelijke meisjesscholen  en uitstekende ‘gemengde’ scholen.

Die scholen zijn selectief en stellen hoge eisen. De klassen zijn klein, de voorzieningen royaal, de leraren uitstekend opgeleid en bekwaam. De ouders zijn ambitieus, de leerlingen gemotiveerd. Het wordt als een voorrecht gezien op zo’n school te zitten.

Er zullen ongetwijfeld steeds vaker kinderen van rijke Chinezen toelating zoeken tot dergelijke scholen en daar goede prestaties leveren, want, zo is onlangs gebleken uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Chinese leerlingen doen het uitstekend in het onderwijs. Zij tonen aan dat, wat je bereikt in het onderwijs, niet alleen afhankelijk is van je aangeboren talent maar ook van je achtergrond en van je bereidheid om hard te werken. Wie leest en hoort hoe competitief het onderwijs in China zelf is en hoe de beste leerlingen en studenten gestimuleerd en beloond worden zal echt niet geloven dat de ‘hegemonie’ van het Westen nog lang zal duren.

Cornelis Verhage

Dit bericht hoort bij de categorie Columns | Geen reacties »

ROC-voorzitter

zaterdag 25 juni 2011
Hoe het komt weet ik niet maar het gebeurt nogal eens dat mensen die afscheid gaan nemen
van hun baan in het onderwijs, opmerkelijke en behartigenswaardige dingen zeggen. Een
voorbeeld is dhr Franken, bestuursvoorzitter van R.O.C. West-Brabant, die in een interview
in BN DeStem van 24 juni onder meer het volgende zei: ‘Er is een continue opwaartse druk
richting havo en vwo-opleidingen. Maar het is niet zo dat mensen steeds slimmer worden. Een
gediplomeerd mbo-er die zijn hbo-diploma niet haalt kan altijd terugvallen op zijn mbo en aan
het werk. Dat kun je van een uitvaller met een havo-diploma niet zeggen.’
Op de vraag van de journalist hoe hij die tendens wil tegengaan zegt hij: ‘Ik vind dat binnen
nu en vijf jaar het niveau van havo en vwo drastisch omhoog moet door de toelatingseisen
te verscherpen. Dan komt er vanzelf ook meer gang richting vmbo en mbo en zullen meer
kinderen de koninklijke weg bewandelen: vmbo, mbo en eventueel hbo.’
Ik denk dat Franken gelijk heeft. Er is immers, bij de tegenwoordige manier van beoordelen
en bevorderen in het onderwijs, een onmiskenbaar verband tussen het gemiddelde niveau van
de instroom en het bereikte niveau aan het eind van een opleiding. Als de kwaliteit van de
instroom daalt, gaat ook het eindniveau omlaag. En dat is bepaald niet alleen ongewenst voor
het hbo of vwo, maar evengoed voor het mbo en vmbo. Juist die opleidingen kunnen meer
bereiken als zij ook goed gemotiveerde leerlingen met behoorlijke capaciteiten hebben.
Bovendien, het niveau van de opleidingen, zeker in mbo en hbo, heeft nog een extra duw
omlaag gekregen door de toepassing van het competentiegerichte leren. Dat wordt niet langer
ontkend, integendeel, plotseling zijn ook bestuurders erachter dat deze onderwijsvernieuwing
niet zo’n goed idee was. De voorzitter van de Fontijs hogescholen zegt nu ( NRC
Handelsblad 22 juni) dat cgo voor bijna niemand geschikt is : ‘Voor het merendeel van de
studenten werkt al die vrijheid niet; alleen de meest gemotiveerde 5 procent heeft baat bij
deze manier van lesgeven en excelleert daardoor.’
Waarom ben je er dan mee begonnen, zou je zeggen. Volgens Presley Bergen van BON was
invoering van cgo ook een manier om te bezuinigen op bekwame vakleerkrachten, die nu voor
een deel ‘verjaagd’ zijn uit mbo en hbo.
Enfin, het goede nieuws is dat nu eindelijk, ook bij politici en bestuurders is doorgedrongen
dat er veel mankeert aan het onderwijs. Maar dan? Meer geld zou helpen als dat beschikbaar
was; maar, men zou wel kunnen beginnen met het uitvoeren van de suggesties van ROC-
voorzitter Franken met de bedoeling het uit balans geraakte onderwijsstelsel te herstellen.
Cornelis Verhage

Dit bericht hoort bij de categorie Columns | Geen reacties »

De heilige driepoot – over kwaliteit bij docent en leerling -

maandag 13 juni 2011

We maken ons zorgen over onze dalende plaats in de internationale pisatoets. Daarom moeten we voortaan meer aandacht besteden aan de drie kernvakken – Nederlands, Engels en wiskunde – die ook nog eens centraal getoetst moeten worden. We hebben slapeloze nachten door tekortschietende kwaliteit bij onderwijsinstellingen. Daarom willen we dat bonuscultuur en diplomafraude voorgoed tot het verleden gaan behoren. We liggen wakker van het gebrek aan aandacht dat er nu eens is voor passend onderwijs aan achterliggende kinderen, dan weer voor passend onderwijs aan vóórliggende kinderen. Daarom vinden we dat docenten zodanig geschoold dienen te zijn dat ze met zowel het midden als de beide uiteinden van het spectrum uit de voeten kunnen en dat degenen die daarin slagen een prestatiebeloning moeten ontvangen en degenen die daarin falen bestraft of verwijderd moeten worden. We piekeren en we peinzen en zoeken voortdurend naar een vlotte maar vluchtige oplossing vanuit de vage verte.

Waar blijft de tijd voor leerling en docent om vredig uit te vogelen waar de eigen kwaliteiten liggen om deze vervolgens in wederzijds contact verder te vervolmaken? Is alles in het onderwijs van nu werkelijk zoveel beroerder dan in dat van een halve eeuw geleden? Ik geloof er helemaal niets van! Maar het moet tegenwoordig wel allemaal supersnel gerealiseerd worden en op afstand bestuurd, gedocumenteerd tot op de komma, openlijk zichtbaar, controleerbaar voor derden, intersubjectief, goedkoop dan wel gratis of via abjecte beloningsvoorstellen zoals de prestatiebonus. Ik stel voor terug te gaan naar de basisvraag: wat moet een goed docent in huis hebben om zijn leerlingen op de best mogelijke manier naar een verantwoord diploma te brengen? Welnu, goed docentschap zetelt stevig op de heilige driepoot van vakkennis, structuur en passie, met als zittinkje: “wat je uitzendt, krijg je terug”. Haal één pootje weg en de kruk valt om.

Het lijkt een open deur wanneer ik vakkennis als eerste element noem. Het volstaat even terug te denken aan de beroerdste variant van het studiehuis, gebaseerd op de overtuiging dat kinderen sponsjes zijn wanneer het om opzuigen van kennis gaat. Theoretici stelden dat het voldoende zou zijn wanneer de docent vanaf de kant wat aanmoedigingen riep om het kind te stimuleren op de volstrekt eigen weg richting de bij hem persoonlijk passende kennis. Gelukkig zijn veel scholen zo slim geweest dit systeem na gedwongen invoering weer zo snel mogelijk openlijk of verhuld af te schaffen en waren ook veel scholen stiekem zo verstandig het studiehuissysteem helemaal niet in te voeren. Een beetje docent laat zich namelijk zijn vak niet afpakken en legt zich niet neer bij een rol in de marge. De docent weet immers iets dat hij wetenswaardig acht, dat de leerling nog niet weet en waar de leerling in studiehuiszelfstandigheid in het geheel niet zelfstandig achter zou komen. Het is de schone taak van de docent kennis te duiden en zodanig op te dienen dat de leerling hongerig wordt naar meer.

De vorm waarin kennis wordt opgediend – en dat is het tweede pootje van de driepoot – dient rekening te houden met het nog puberende en dus nog niet tot voldoende structurering in staat zijnde brein waar ook onlangs de pers bol van stond. Het is aan de docent de leerstof te structureren en op te dienen in overzichtelijke en hapklare, herkauwbare brokken en om de weg richting de eindtoets te plaveien met tussentoetsen of andere vormen van terugvragen opdat de leerling op elk moment in de kennisverwerving weet hoever hij is en wat er nog moet gebeuren voor betere beheersing.

Wanneer deze stappen met passie gezet worden – passie van de docent voor het eigen vak en voor de zich ontwikkelende puber – dan is er sprake van een ideaal klimaat voor kennisverwerving en zijn er geen maatregelen van buiten nodig en zeker geen prestatiebeloning, die nota bene voorstelt dat de excellente docent een dag minder moet gaan lesgeven om in afzondering een plan de campagne voor zijn collega´s te schrijven. Juist een goede docent minder laten lesgeven, hoe krom kun je denken?

Wat is frustrerender voor een leerling dan te merken dat een docent geen kennis van zijn vak heeft, dat hij zich ongestructureerd een weg kapt door het kennisoerwoud en zich opstelt alsof het ook hem in het geheel niet interesseert? Zulke docenten wens ik mijn ergste vijanden nog niet toe. Geef ons docenten ons vak terug, betaal ons conform onze opleiding en onze kwaliteiten, beoordeel ons op bovenstaande drie punten, school ons bij wanneer we op één of meer van de drie vlakken falen of stel ons voor ander werk te zoeken.

Anneke de Vries (docent klassieke talen en Frans aan rsg de Borgen afd. de Lindenborg in Leek)

Dit bericht hoort bij de categorie Columns | Geen reacties »

Taal, taal en nog eens taal – over het gymnasium, Grieks en Latijn en de proefvertaling

dinsdag 12 april 2011

Zelfstandige gymnasia groeien en gymnasiale afdelingen aan scholengemeenschappen kwijnen, zo is de tendens van artikelen die de laatste dagen weer in het Onderwijsblad en de NRC (beide d.d. 26 maart jl.) verschenen. “Wij moeten altijd vechten om onze leerlingen”, schijnen docenten aan gymnasia aan scholengemeenschappen te zeggen, volgens het AOB artikel. Wie wil zich immers nog inspannen voor het verwerven van Grieks en Latijn? Niemand natuurlijk, luidt het impliciete antwoord op deze retorische vraag, ondanks de positieve grondhouding van veel docenten klassieke talen. Zelfstandige gymnasia stromen vol, niet dankzij maar ondanks die twee klassieke talen. Vandaar de roep om vernieuwing – lees vereenvoudiging! – van Grieks en (vooral) Latijn, omdat het tegenvalt met CSE-resultaten en leerlingenmotivatie en toch graag een gymnasiumdiploma willen halen. Vandaar het onderzoek van de Verkenningscommissie Klassieke Talen, die in haar eindrapport tot het voorstel kwam de proefvertaling maar af te schaffen en KCV en taal te integreren in twee nieuwe vakken, GTC en LTC. Afgezien van die ondoorzichtige afkortingen die beide vakken anonimiseren, zouden Grieks en Latijn mee moeten doen met de trieste tendens van de moderne talen: alleen vragen stellen over een tekst en nooit verwachten dat leerlingen echt nauwkeurig woord voor woord wikken en wegen en werkelijk doordringen in de onderliggende betekenissen. Jammer, dat ook de toon van de reactie van VCN richting de minister positief is ten aanzien van de door de Verkenningscommissie voorgestelde vernieuwingen. Gelukkig – in mijn ogen – heeft de minister snel besloten de aloude toetsvorm van het proefvertalen te handhaven, zonder eerst een Vernieuwingscommissie in te stellen die al triallend en errorend de zaak nader uit zou moeten testen. Helaas – in de ogen van voorstanders van vereenvoudiging – houdt ze daarmee vernieuwing tegen die bijna impliciet klinkt als verbetering maar dat absoluut niet is. Het besmette begrip ‘leuk’ komt tot vervelens toe langs, want we moeten het vooral ‘leuk’ houden en dan hebben we het bijv. over cultuur, excursies, projecten, You Tube…
‘Leuk’ is in mijn overtuiging binnen dit vakgebied iets geheel anders dan het bovengenoemde. Beide klassieke talen zijn intrinsiek interessant! Ze hebben geen hulp van buiten nodig om boeiend te blijven en geen wegschrapping van de uitdagingen. Juist dat openbreken van de taalkorst – waarbij alle aan de leerlingen in de loop der jaren aangereikte gereedschappen van woordkennis, grammatica en stijlherkenning ingezet dienen te worden – vormt de intellectuele uitdaging die deze vakken kenmerkte, kenmerkt en tot in lengte van dagen moet blijven kenmerken, zo is mijn stelling. Het behoort tot de taak en de passie van de docent het volstrekt eigene van Grieks en Latijn tot interessant gebied te bombarderen. We moeten het niet zoeken in taalontwijkende opleukactiviteiten maar we moeten de talen door en vanuit zichzelf laten spreken: betekenis ontginnen, structuren openleggen en het aldus ontdekte proeven op de tong en proberen te duiden binnen de klassieke wereld en waar nodig door te trekken naar de moderne tijd. Dat is interessant, intellectueel uitdagend en ja, alleen geschikt voor de betere leerlingen die niet bij het eerste het beste struikelblok afhaken. Laten we de klassieke talen handhaven in hun talige formule en laten we het gymnasium handhaven in haar aloude en beproefde vorm.
Anneke de Vries (docent klassieke talen en Frans)

Dit bericht hoort bij de categorie Columns | Geen reacties »