Columns
Deetman niet onkreukbaar?
Het bericht dat oud-minister Deetman sinds 2008 wettelijke regels overtreedt voor nevenuitkomsten uit publieke functies zal hier en daar als een schok ervaren worden. Hij ontving ten minste 75.000 euro aan inkomsten uit met name voorzitterschappen van overheidscommissies. Dat iemand die altijd overkwam als recht door zee, streng maar rechtvaardig, misschien niet briljant maar braaf en eerlijk, dit gebeurt – het zal toch niet opzettelijk zijn – dat is wel erg teleurstellend, maar is het ook verbazingwekkend ?
Terug naar zijn ministerschap. Deetman heeft altijd gezegd dat de bezuinigingen die hij doorvoerde aan het begin van de jaren tachtig, ook het rampzalige HOS-akkoord van 1985, onontkoombaar waren en in ’s lands belang.
Minder bekend is dat er in dezelfde periode, onder zijn directe verantwoordelijkheid, honderden miljoenen guldens zijn verspild bij de invoering van het nieuwe studiefinancieringssysteem, een operatie die door de auteurs Knippenberg en van der Ham in het boek Een bron van aanhoudende zorg, 75 jaar ministerie van Onderwijs( Kunsten) en Wetenschappen, 1918- 1993,’ een van de grootste debacles in de geschiedenis van het departement’ wordt genoemd.
Herhaaldelijk werd de minister gewaarschuwd het nieuwe systeem niet vóór 1988 in te voeren. Gewaarschuwd door hoge ambtenaren, door departementale werkgroepen, door de centrale directie studiefinanciering en door de Raad van State. De minister zette echter door en liet de uitvoering beginnen op 1 oktober 1986.
In 1987 kwam aan het licht dat 16400 studenten een te hoog voorschot hadden ontvangen ( 230 miljoen gulden), dat 5000 ouders zoek waren, dat er duizenden bezwaarschriften waren ingediend en dat tienduizenden brieven onbeantwoord bleven.
De volle omvang van het debacle zal waarschijnlijk nooit aan het licht komen. De gewetensvolle onderzoekers Knippenberg en van der Ham moeten aantekenen: ‘De reconstructie van de studiefinancieringskwestie werd ernstig bemoeilijkt. De officiële stukken omtrent deze zaak bleken niet aanwezig te zijn in het archief van het departement. De medewerkers van de centrale archiefbewaarplaats slaagden er niet in, ondanks een intensieve zoekactie, de stukken te achterhalen.’
De blunders van de minister bleven niet onopgemerkt. Op een geven moment vroeg Hans van Mierlo zich in de Tweede Kamer af wat een minister dan wèl moet doen voordat hij te horen krijgt dat hij af moet treden. Deetman bleef echter, de coalitie ( CDA en VVD) kon hem nog gebruiken.
Hoe dit ook zij, hij had blijkbaar een hoogstaand idee over taakopvatting. In het blad van de Pedagogische Centra Van Twaalf tot Zestien ( december 1986) stond een interview met de minister. Toen hem werd gevraagd of de onderwijsgevenden niet mochten verwachten dat de de overheid wat meer voor hen zou doen, ook materieel , zei hij o.a.: ‘Er wordt dan bijvoorbeeld gezegd , ook door leraren: we moeten meer verdienen. Dan zeg ik nuchter, ik vind dat niet. Degenen die wat lager op de sociale ladder staan hebben immers ook een behoorlijk inkomen nodig. Of niet soms? Dan wordt er wel gereageerd in de zin van: dan ga ik wel weg; naar het buitenland of naar het bedrijfsleven. Dat is dan het verhaal. Ik denk dan: als dat je uitgangspunt is, dan ga je maar. Het heeft alles te maken met de bereidheid je voor de samenleving in te zetten.’
Zo is het maar net.
Cornelis Verhage
—
De ton die viel in duigen
Het woord ‘hoogopgeleiden’ vind ik langzamerhand knap irritant worden. Zoals het gebruikt wordt in advertenties van relatiebureaus en door schrijvers en schrijfsters van artikelen en ingezonden stukken – ‘wij hoogopgeleide vrouwen’- geeft het blijk van arrogantie en zelfingenomenheid. En op grond waarvan dan? Is men door het volgen van een h.bo. of universitaire opleiding ineens zo bijzonder? Is hoogopgeleid hetzelfde als breed ontwikkeld, erudiet of geleerd? We weten ondertussen dat dergelijke pretenties dikwijls volkomen misplaatst zijn: ‘the bubble has burst’!
Eigenlijk is al tientallen jaren bekend dat de ongecontroleerde groei van het onderwijs niet zonder gevolgen kon blijven. Het werd veel te gemakkelijk voorgesteld: meer onderwijs, meer van hetzelfde, iedereen langer naar school, naar het ‘hoger’ onderwijs, dan volgt de beloning vanzelf. Het doet een beetje denken aan de leuze indertijd van Jacobse en van Es: ‘Geen gezeik, iedereen rijk’!
Inderdaad, nu is Leiden in last. Wat moet er gedaan worden om tot een gezondere situatie te geraken? In de eerste plaats moeten we vaststellen dat de term ‘hoger opgeleid’ tegenwoordig vooral een leeftijdscriterium is, met de betekenis ‘langduriger’ opgeleid. Het hoeft dus niet te betekenen beter opgeleid of met meer intellectuele diepgang, nee, het betekent vaak gewoon ‘langer naar school gaan’.
Als men dat wil, en er wordt voor betaald, hetzij door de gemeenschap of door de individuele onderwijsconsument, waarom niet? Moet er, zoals nu wordt geopperd, een groot bureaucratisch apparaat worden ontwikkeld om het hoger onderwijs grondig te gaan controleren en inspecteren? Het zou kunnen, het is een typisch Nederlandse oplossing die weer heel wat banen kan opleveren. Men kan ook, en daar zou ik voor zijn, op de Amerikaanse manier de markt laten bepalen wat een opleiding waard is. Er is keus genoeg. Er zijn harde en moeilijke opleidingen, vaak ook erg duur, waarvoor heel intensief gestudeerd moet worden en die zeer waardevolle diploma’s opleveren .
Maar wie als jongvolwassene een aantal jaren , onder gelijkgezinden, een heel plezierige tijd wil hebben (‘rumspringa’, zeggen de Amish people) , kan een college of universiteit zoeken die bij hem past. Op de arbeidsmarkt zal dan wel blijken wat het behaalde diploma waard is.
En men moet natuurlijk niet doen alsof zo’n dertig of veertig procent van de bevolking – de ‘hoogopgeleiden’- tot een intellectuele elite behoort.
Cornelis Verhage
—
Gebrek aan kennis van het verleden
Waarom was het artikel van Bastiaan Bommeljé in NRC Handelsblad van 7 mei j.l. zo’n geslaagde analyse van de geleidelijke afbraak van het hoger beroepsonderwijs in de laatste decennia? Omdat Bommeljé niet alleen afgaat op indrukken en meningen maar ook over feitenkennis beschikt. Hij houdt ongetwijfeld een privé-archief bij waardoor hij zijn mening kan staven met cijfermateriaal, met rapporten en citaten.
Dat is om meer dan één reden van groot belang: zijn betoog wint aan overtuigingskracht, hij toont aan hoe weinig ruggegraat de ‘onderwijsspecialisten’ hebben en hij voorkomt dat de verantwoordelijken zich kunnen witwassen door het verleden anders voor te stellen dan het geweest is.
Helaas is Bommeljé één van de weinigen die zo goed geïnformeerd is. Een minder gelukkig voorbeeld trof ik aan op de website van Beter Onderwijs Nederland. Daar werd, niet voor het eerst, een discussie gevoerd over het belang van eindexamens en de waarde, of niet, van het schoolonderzoek.
Sommige deelnemers aan deze discussie zijn blijkbaar van mening dat het schoolonderzoek indertijd is ingevoerd als een soort onderwijskundige ‘verrijking’, maar dat is helemaal niet het geval. Wie zich verdiept in de invoering van de Mammoetwet ziet dat die al dadelijk gepaard ging met bezuinigingen: het beloofde aantal wekelijkse lesuren kon niet gehaald worden, het programma moest smaller worden dan toegezegd, de lerarensalarissen, met name die van de eerstegraders, moesten omlaag. En het eindexamen, in de beproefde vorm met gecommitteerden, kon niet op die manier gecontinueerd worden.
Van overheidswege werd gezegd dat het steeds moeilijker was om gecommitteerden te vinden, deskundige externe toezichthouders bij de examens. Het zou bovendien, met de te verwachten groei van het middelbaar onderwijs, veel te veel gaan kosten.
De leraren waren helemaal niet gelukkig met de nieuwe regeling. De argumentatie van het Genootschap van Leraren, zoals neergelegd in een motie op de Algemene Vergadering in oktober 1970 is nog steeds valide: ‘De Algemene Vergadering van het Genootschap enz. te Amersfoort op 16-10-1970 onderschrijft volkomen het standpunt van het Bestuur inzake de onaanvaardbaarheid van de tot stand gekomen eindexamenprocedure wat betreft het vroegere mondelinge gedeelte van het eindexamen, het zgn. schoolonderzoek, dringt er bij het Bestuur op aan zo effectief mogelijk de publieke opinie in die richting te mobiliseren, en machtigt het Bestuur alle mogelijke maatregelen te treffen bij zijn streven alsnog deze eindexamenprocedure van goede garanties te voorzien door het handhaven van het instituut van gecommitteerden, zulks ter voorkoming van de dreigende waardevermindering van het einddiploma en een eventueel hieruit voortvloeiend toelatingsexamen aan Universiteit en Hogeschool, en gaat over tot de orde van de dag’.
Cornelis Verhage
—
In de buidel tasten
De vwo-resultaten van het Bonaventura College in Leiden behoorden volgens een artikel in het Leidsch Dagblad van 18 maart twee jaar geleden nog bij de slechtste tien procent van het land, zodat de inspectie de school ‘onder toezicht’ plaatste. Maar een jaar later was het beeld omgekeerd en behoorde de school bij de beste tien procent. De school dankt de vooruitgang denkt men, aan een nieuwe aanpak: de leerlingen krijgen intensieve bijles en examentrainingen. Om betere resultaten te behalen maakte men gebruik van een extern instituut voor bijspijkercursussen, studenten werden ingeschakeld, men liet de leerlingen extra oefenen in het maken van multiple choice toetsen enz.
En dan is er een interessante opmerking in het verslag: ‘De school moest voor alle begeleiding flink in de buidel tasten’.
Ja, dat zal wel, maar waar komt het geld in die buidel vandaan? Ik kan me herinneren dat de vroegere Rijksscholen, die tot aan de invoering van het lumpsum systeem model stonden voor de bekostiging van het middelbaar onderwijs, helemaal niet beschikten over extra middelen om dergelijke maatregelen te betalen. De overheid streefde naar gelijke behandeling van àlle scholen. Het feit dat bijzondere scholen een ‘vrijwillige’ bijdrage aan de ouders mochten vragen werd vaak aangevochten en de toenmalige staatssecretaris Netelenbos – ja die – heeft nog geprobeerd om een eind te maken aan die bevoorrechting, maar dat is niet gelukt. Dus de vraag blijft, hoe heeft de school in Leiden dat geregeld? Immers, er zijn nog heel veel scholen die ook wel graag wat extra lessen zouden willen geven!
Nog even terug naar het onderwijskundige aspect. Volgens de voorzitter van de ouderraad hadden de leerlingen moeite met ‘oude’ systeem van zelfstandig werken. Het rendement was te laag en het leren gaat veel beter nu er meer ‘contacturen’ zijn.
Ja, dat zal niemand die iets van onderwijs afweet verbazen en evenmin dat de examenresultaten hierdoor verbeterd zijn.
Niet dat hiermee alle vragen beantwoord zijn. Bijvoorbeeld, is het niet een beetje schraal dat men nu, althans volgens het artikel, vrijwel alleen ‘resultaatgericht’ bezig is? Gaat het alleen om het diploma en om de concurrentiepositie van de school of is er ook nog aandacht voor de waarde van een brede intellectuele vorming?
Cornelis Verhage
—
De kloof
In een artikel in NRC Handelsblad van 8 maart 2011 worden vier leraren aan het woord gelaten over het fenomeen prestatiebeloning. Het resultaat is, voor buitenstaanders, verrassend.
Deze leraren tonen zich helemaal niet gevoelig voor de hitsige ideeën van Onderwijsraad en staatssecretaris. Een lerares zegt: ‘Als er een prestatiebeloning voor docenten wordt ingevoerd zal ik daar niet harder van gaan werken. Ik werk me nu al het schompes. En ik zit in het onderwijs omdat ik mijn vak leuk vind, niet om er rijk van te worden. Ik zou wel een betere leraar kunnen zijn als de klassen worden verkleind. Dan kan ik meer persoonlijke aandacht aan leerlingen geven. Ook bijscholing is nuttig, zodat ik nieuwe ideeën kan opdoen voor mijn lessen.’ Haar collega’s zitten op dezelfde lijn en noemen nog als punten dat zij het belangrijk vinden hun lessen in te richten zoals zij dat zelf willen, dat zij graag minder lessen zouden willen geven om beter te kunnen functioneren en dat het gewenst zou zijn jonge leraren beter te belonen.
Het is niet waarschijnlijk dat Ton Elias, de Onderwijsraad en de staatssecretaris veel begrip hebben voor de opvattingen van deze ( ongetwijfeld excellente) leraren. Er is namelijk een kloof tussen het denken van eerstgenoemden en dat van de werkers in het veld. Deze leraren willen zo goed mogelijk leraar zijn, zien hun beroep in wezen als een roeping en zijn niet materialistisch ingesteld.
Nu, dat is in de hogere regionen van de onderwijswereld wel anders. Daar wordt salarisverhoging, eventueel met bonus, wel van primair belang geacht en worden alle parafernalia van macht en aanzien gekoesterd: fraaie directiekamers, auto’s, als het even kan met chauffeur, buitenlandse reizen, verblijf in de ‘corridors of power’, enz. Ze zijn zo tevreden over zichzelf dat ze zich niet kunnen voorstellen, dat buiten de kring van hun ‘cronies’, andere mensen op een andere manier wensen te functioneren.
Dat verklaart dat Onderwijsraad en bewindspersonen zo vaak maatregelen voorstellen waarop het veld niet zit te wachten.
Cornelis Verhage
—
Lentebode
Het bericht dat de minister besloten heeft om de proefvertaling te handhaven bij de eindexamens voor Latijn en Grieks kwam als een zwaluw na een lange winter. Immers, de discussie die het laatste jaar over dit onderwerp gevoerd is, ging niet alleen over de proefvertaling als toetsmiddel. Het ging in feite ook over de vraag of wij in Nederland verder gaan met aanpassingen ten gunste van de middelmaat en gericht op kwantitatieve vooruitgang, of dat wij soms ook bereid zijn eisen te stellen ten gunste van de beste en meest gemotiveerde leerlingen.
Ik heb het over een ontwikkeling van zo’n veertig jaar , waarin steeds minder geleerd moest worden terwijl volgens onderwijskundigen en politici de kwaliteit van het onderwijs werd gehandhaafd of verbeterd. Als er dan critici waren, bijvoorbeeld uit de kring van de Vrienden van het Gymnasium, die meenden te kunnen aanwijzen dat het niveau daalde werd hun al gauw de mond gestopt met ‘bewijsmateriaal’ uit het buitenland of met de bewering dat het allemaal goed kwam door competentiegericht leren of dat er een ‘generatie Einstein’ aankwam..
In het geval van de klassieke talen hebben we evenwel een fraaie toetssteen. Niemand hoeft klassieke talen te leren, niemand hoeft een gymnasiale opleiding te volgen. De leerlingen die dat toch doen hebben meer nodig dan de aspiraties of het snobisme van hun ouders, zij moeten beschikken over aanleg, motivatie en ijver.
Blijkbaar wringt de schoen ( of de school) op dat punt: scholen wijzen niet graag leerlingen af, leerlingen leven in een cultuur waarin intellectuele inspanning niet erg populair is. Maar ja, voor de klassieken geldt zeker: ‘you can’t eat your cake and have it’.
Gelukkig zijn er nog genoeg scholen en genoeg leerlingen die wèl willen streven naar excellentie. Dat moeten de voorbeelden zijn voor de toekomst. Niet alleen voor de klassieke talen maar over de hele breedte.
Cornelis Verhage
—
Voorselectie
Dezer dagen werd mijn oog getroffen door een aankondiging van de Belangengroep Gymnasiale Vorming van de AOb. Men gaat op 2 april a.s. een conferentie organiseren over de toekomst voor Latijn en Grieks. Die ‘conferentie’ zal duren van 11.00 tot 16.00 uur. De kosten bedragen, let op, 90 euro voor leden van de AOb en 150 euro voor niet-leden. Het lijkt er sterk op dat men wil selecteren aan de poort en wel op de portemonnee van de eventuele deelnemers.
Een dergelijke conferentie zou interessant kunnen zijn voor leraren aan gymnasia en in het bijzonder voor classici – als ze tenminste bereid en in staat zijn de genoemde bedragen daarvoor uit te geven. Onder de jonge leraren zijn veel parttimers, die kunnen, met hun karige salaris, zo’n bedrag al helemaal niet ophoesten. Ja, maar ze kunnen toch ook lid zijn van de AOb? Ja, dat kan natuurlijk wel, al is deze uitnodiging dan een prima reden het lidmaatschap op te zeggen. Oudere leraren zullen niet vaak lid zijn van de AOb , die hebben onder de grote leiders Ella Vogelaar en Jacques Tichelaar hun lidmaatschap al opgezegd.
Het is hoogst merkwaardig. Bij de Vrienden van het Gymnasium zijn vergaderingen en bijeenkomsten gratis, of bijna gratis. Hetzelfde geldt voor Beter Onderwijs Nederland. Zo hoort het ook en als de kas het toelaat worden ook de reiskosten vergoed.
Is dan de grote AOb armlastig of verdienen hun bestuursleden zoveel? En dan nog. De enige verklaring die ik, met tegenzin, kan vinden is dat men deze conferentie het liefst wil beperken tot mensen die kunnen declareren: managers, schoolleiders, onderwijskundigen, het eigen bestuur. Dat heeft tot gevolg dat het standpunt van de aanwezigen ten aanzien van het te behandelen onderwerp in grote lijnen al bekend is: Men zal, onder het uitspreken van veel dierbare gevoelens over de waarde van de klassieken, kiezen, in de traditie van geleidelijke neergang, vóór concessies aan de kwaliteit van het onderwijs, vóór het in stand houden van kwantitatieve ‘targets’ en vóór het verzwakken van de positie van de leraar. Maar, uiteraard, iedereen kon erover meepraten op die conferentie.
Cornelis Verhage
—
Afgang voor het middelbaar onderwijs (7-2-11)
Ik bracht eens een bezoek aan de Manchester Grammar School, één van de meest prestigieuze particuliere scholen van Engeland. Toen ik een aantal lessen had bijgewoond en me had laten informeren over het programma, vroeg ik, onder de indruk van het zeer hoge niveau, of het niet vaak voorkwam dat leerlingen moesten afhaken of doubleren.
“Nee’, was het antwoord van de leraren, ‘ons toelatingsexamen is zo zwaar dat wij het normaal vinden dat ze het aankunnen en verbaasd zijn als het niet lukt.’
Hier moest ik aan denken toen ik las dat de staatssecretaris van Onderwijs heeft gekozen voor ‘selectie aan de poort’. Blijkbaar is het niveau van het middelbaar onderwijs zo twijfelachtig geworden dat het einddiploma niet meer voldoende waarborg biedt om met succes aan een studie in het hoger onderwijs te beginnen. In het recente verleden is al regelmatig sprake geweest van maatregelen om de eindexamens te verbeteren, onder andere door het schoolonderzoek niet meer mee te laten tellen maar die route is blijkbaar te lang of te lastig.
Het is eigenlijk moeilijk veel in te brengen tegen dit voornemen, dat trouwens afkomstig is van de commissie Veerman. Er moet een eind komen aan de toestroom van grote aantallen middelmatig gemotiveerde en middelmatig voorbereide studenten.
Stel nu dat dit plan de steun krijgt van het parlement en in de praktijk wordt gerealiseerd zoals het bedoeld is, dan heeft het wel degelijk consequenties voor de vooropleidingen. Dan is in één keer de geruststellende belofte dat je ‘op deze school’ wel een papiertje kunt halen waarmee je kunt gaan studeren, waar en wat je wilt, waardeloos geworden. Dat zou kunnen betekenen dat de middelbare scholen uit zichzelf , als het ware van de weeromstuit, hogere eisen gaan stellen, zo hoog dat de leerling met vertrouwen de selectie aan de poort tegemoet kan zien. Als dat goed uitpakt krijgt de afleverende school daardoor een bepaalde reputatie, die haar prestige zeer ten goede komt, net zoals dat het geval is met Manchester Grammar School.
Cornelis Verhage
—
Maakbaar Rotterdam (06-02-2011)
Het onderwijs in Rotterdam scoort niet zo goed. De wethouder van onderwijs, dhr de Jonge, is vooral teleurgesteld over het gemiddelde van de Citotoetsscore: die is landelijk 535 en in Rotterdam 531. De wethouder wil nu dit ‘beleidsresistente’ cijfer in de komende drie jaar opkrikken tot 534. Om dit te bereiken worden de komende jaren onder meer 155 ‘vakantiescholen’ opgericht, bedoeld om basisvaardigheden bij te spijkeren en het kennisgat te dichten tussen het basis- en voortgezet onderwijs.
Er komt ook een mogelijkheid voor peuters – twee- en driejarigen – met een (dreigende) leerachterstand, om naar de basisschool te gaan: vijf dagdelen per week. De gemeente heeft weliswaar geen dwangmiddelen(!) zegt de Jonge, maar men kan wel degelijk ‘drang’ uitoefenen meent hij. Men zal de ouders wijzen op ‘de noodzaak en de mogelijkheid van vroeg onderwijs.’
Tijdens een commissievergadering op het stadhuis kreeg de Jonge unaniem bijval voor zijn plannen (NRC Handelsblad 3 februari). Met zoveel bijval toch kanttekeningen willen plaatsen lijkt eigenwijs, maar ik heb er toch behoefte aan, met name waar het gaat om het plan voor de peuters. In de eerste plaats heb ik van de zijde van paedagogen nooit anders gehoord dan dat het niet gewenst is dat zulke kleine kinderen al naar school gaan. Die kinderen moeten kunnen spelen en socialiseren, uiteraard, maar weghalen uit het gezin om op school te leren, dat is gewoon te vroeg.
In de tweede plaats, zoals men bezig is , is men ‘sailing close to the wind’. De wethouder wil geen dwang uitoefenen, maar wel drang. De wethouder is van het CDA, wellicht denkt hij, gedachtig aan het Bijbelwoord: ‘Dwingt ze om in te gaan!’ Maar dat is hier niet aan de orde. De staat moet de ouderlijke verantwoordelijkheid niet willen overnemen, dat past niet in een land met burgerlijke vrijheden.
Tenslotte de vraag: zal het ook helpen? Over drie jaar moet de Citotoetsscore omhoog van 531 naar 534, meent de wethouder. Als die toetsscore betrouwbaar is , hebben we daar een ijkpunt aan, één ijkpunt althans. Gelet op ervaringen met voorschoolse en compensatieprogramma’s in het verleden, in binnen- en buitenland, over een periode van bijna een halve eeuw, voorspel ik hoogstens een geringe, waarschijnlijk niet duurzame vooruitgang.
Cornelis Verhage
—
Bezuinigingen (25-01-2011)
Ik zou niet graag zeggen dat de overheid moet bezuinigen op onderwijs maar ik ben er wel van overtuigd dat er binnen het onderwijsstelsel zuiniger en doelmatiger met het geld omgegaan kan worden. Ik neem een paar dingen over uit een artikel van Fenna Vergeer in het decembernummer van Amphora : ‘Vrijwel al het extra geld dat de afgelopen twintig jaar naar het onderwijs gaat , komt niet terecht bij het onderwijs van leerling en student.’
En: ‘Het overheadbudget neemt in 20 jaar met 80% toe.’
En: ‘Het primaire proces kreunt onder de zware beheers- en verantwoordingslasten die de bestuurlijke en financiële autonomie met zich meebrengt.’
En uiteraard, het aantal ‘bovenschoolse’ managers, vaak met zeer riante salarissen is enorm toegenomen.
Ik ben het helemaal met mevr Vergeer eens als ze zegt dat de minister de moed moet hebben ‘om de regie terug te nemen en door een eigentijdse bekostigings- en besturingsfilosofie de leraar zijn vak terug te geven’.
Ook het op drijfzand gebouwde imperium van de onderwijskunde kost veel geld en levert weinig of niets op. Het blad Didaktief, stevig gesubsidieerd door de overheid, dat zich ten doel stelt ‘aktuele onderzoeksresultaten toegankelijk te maken voor een groot onderwijspubliek, vierde onlangs zijn 40-jarig bestaan. Noch bij de redaktieleden noch bij de redaktieadviesraad kan ik iemand aanwijzen die ooit in de praktijk van het onderwijs werkzaam is geweest: het is een schijnwereld.
Hetzelfde geldt in feite voor de Onderwijsraad, het belangrijkste adviesorgaan van de minister. Daar ging onlangs de voorzitter , Prof van Wieringen, met pensioen. Op de website van Beter Onderwijs Nederland schreef iemand: Dit is nu een mooi moment om de Onderwijsraad zelf ook af te schaffen.’
Dhr van Wieringen denkt daar zelf anders over, volgens het ‘oude’ denken, zullen we maar zeggen. In een interview in datzelfde Didaktief zegt hij: ‘Tot 1996 was de Onderwijsraad een representatief orgaan waarin ook ouderraden, schoolbesturen etc. een stem hadden, nu is het een raad met deskundigen.’
Dat betekent, voor wie het even opzoekt, dat de raad voornamelijk uit onderwijskundigen, aangevuld met enkele onderwijsbobo’s, bestaat. Dus, vóór 1996 kon je daar nog wel eens mensen met praktijkervaring aantreffen, nu zitten er ‘deskundigen’.
Aan zo’n raad heb je niet veel en hetzelfde geldt natuurlijk voor de V.O. Raad en de P.O. Raad , verzamelplaatsen voor managers die elkaar goed kennen.
Het is in feite een hopeloze toestand: als er meer geld aan het onderwijs gegeven wordt, pikken de managers het in en als er minder geld beschikbaar is, zorgen zij ervoor dat leerlingen en studenten opdraaien voor de bezuinigingen.
Cornelis Verhage
—
Brutaal of naïef (17 – 01- 2011)
Ik vond een leuk bericht in BNdeStem van 15 januari. Dhr Luyten is één van onderzoekers die onlangs verklaard heeft dat het Nederlandse onderwijs het bèst goed doet. In de krant zegt hij: ‘Wat ons als wetenschappers stoort, is dat er selectief wordt omgegaan met de gegevens. Als we melden dat het goed gaat, dan worden onderzoeken in twijfel getrokken. Maar als een meting op lichte achteruitgang duidt, dan wordt dat wel geloofd.’ Daar zit volgens hem ook een andere kant aan: ‘Voor sommige beleidsgroepen is het gevaarlijk om te zeggen dat het goed gaat. Want dan krijgen ze geen geld meer.’
Dit is echt heel geestig. Iedereen die iets weet van het onderwijsbeleid sinds 1968 en van de rol van de onderwijskunde daarin, weet dat die onderwijskunde bijna altijd in dienst stond van het beleid. Dat begon al met de middenschooldiscussie: in het buitenland was immers al lang bewezen dat middenschoolonderwijs heel goed mogelijk was: In Zweden, in Engeland, in de Verenigde Staten, in Oost-Duitsland, in de Sovjet-Unie..
Als sceptische tegenstanders dan ter plaatse gingen kijken zagen ze meestal dat de voorbeelden heel a-typisch waren; bijvoorbeeld scholen met heel veel extra middelen, heel kleine klassen, niet-heterogene groepen enz. Ook kwam het voor dat de resultaten veel te mooi werden voorgesteld, bijvoorbeeld op de Nederlandse experimenterende middenscholen. Voor het beleid onwelgevallige uitkomsten werden onderin de la gestopt, opdrachten aan onderzoekers werden soms zo geformuleerd dat de uitkomsten al van te voren vaststonden. (Zie ook de brochure van de Vrienden van het Gymnasium ‘Tijd voor Onderwijs wordt slecht gebruikt’).
Voor alle duidelijkheid, dit gebruik van de onderwijskunde is niet voorbehouden aan ‘links’ – hoewel iemand als Prof Leune het wel erg bont maakte – het is langzamerhand een vast patroon geworden waarvan alle politieke partijen gebruik maken. Wat betekent dat voor de praktijk van het onderwijs?
Dat, als de conclusies van ervaren praktijkmensen vergeleken worden met die van onderwijskundigen, het oordeel van de praktijkmensen moet prevaleren.
Bovendien, de ’vergelijkingen’ met onderwijs in het buitenland zijn voor de onderwijskundigen wel handig omdat ze niet door mensen uit de praktijk van het Nederlandse onderwijs worden gecontroleerd, maar ze zeggen in feite heel weinig over wat òns regardeert, de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs.
Als de kwaliteit van het onderwijs in het buitenland nog slechter is dan in ons land, zijn die mensen daar te beklagen. Over de Nederlandse situatie één voorbeeld. Dr. Cordula Rooijendijk, die al een wetenschappelijke opleiding achter de rug had toen ze naar de Pabo ging: ‘De pabo is erbarmelijk. We moeten die opleiding echt veranderen, zodat het niveau weer komt op dat van de vroegere kweekschool, die ook wel de universiteit van de armen werd genoemd.’( Het Onderwijsblad van 15 januari). Als zelfs de AOb zulke verklaringen publiceert, is er echt wel iets aan de hand. Daarom, de opmerkingen van dhr Luyten , die ik aan het begin van dit stukje citeerde , beschouw ik als brutaal èn naïef.
Cornelis Verhage
—
Het rad van fortuin (13 januari 2011)
In haar column in NRC Handelsblad van 5 januari schrijft Louise O. Fresco over de stagnerende sociale mobiliteit. Nu ligt in het begrip mobiliteit opgesloten dat die verschillende kanten op kan, in het geval van sociale mobiliteit opwaarts èn neerwaarts. Het spreekwoord zegt: ‘opgaan, blinken en verzinken’ en in Amerika kent men het gezegde ‘from shirtsleeves to shirtsleeves in three generations’, waarmee ongeveer hetzelfde wordt bedoeld. Het is ook iets wat je in je eigen omgeving of in je eigen familie kunt waarnemen: overgrootvader is een eenvoudige handwerksman, oppassend en hardwerkend, zodat grootvader al een eigen zaak kan beginnen en die tot bloei brengt, terwijl de vader tot grote welstand komt. Diens kinderen hebben wat minder talent en heel wat minder zin om zich in te spannen, worden ook teveel verwend en brengen er uiteindelijk weinig van terecht zodat er niet veel overblijft van de status waar hun ouders en grootouders zo hard voor hadden gewerkt.
Prof. Fresco ziet nu op grond van berichten van het Sociaal Cultureel Planbureau dat de mobiliteit, met name van jonge mannen , op de onderwijsladder stagneert. Veel jongens en jonge mannen tonen te weinig discipline en brengen hun tijd grotendeels door met lanterfanten of met hun liefhebberijen, en halen onvoldoende resultaten. Ze brengen het minder ver dan hun ouders.
In zekere zin een normaal verschijnsel, als er maar tegenover staat dat anderen, bijvoorbeeld de kinderen van immigranten de opengevallen plekken op de ladder innemen, zodat de mobiliteit blijft bestaan, een beetje als bij het rad van fortuin dat nu eens de één omhoog brengt dan weer de ander.
Het probleem is evenwel dat het onderwijsrad uit balans is geraakt. Er gaan nu zoveel jongeren langdurig naar school en hoger onderwijs dat de extra beloning op grond van het behaalde diploma steeds kleiner wordt, ook al omdat de rit zelf in het algemeen steeds minder selectief is geworden. De overproductie gaat gepaard met inflatie. Er is op de duur geen correlatie meer tussen meer onderwijs en meer verdienen of meer status. Daarmee is bewaarheid geworden wat Louis Emmerij al beschreef in 1974 in zijn boek ‘Can the School build a New Social Order ?’
In die tijd leefde het idee al dat er steeds meer geïnvesteerd moest worden in onderwijs, maar ook zonder goed na te denken over richting of einddoel, volgens het principe ‘meer van hetzelfde’. Maar Emmerij wees er toen al op dat er een moment komt dat de behoefte aan hoger opgeleiden niet meer overeenkomt met het aanbod van afgestudeerden. Emmerij voorspelde daarom dat er steeds meer afgestudeerden in beroepen zouden terecht komen beneden hun opleidingsniveau. Als men blijft doorgaan met het aantal jaren scholing voor iedereen uit te bereiden wordt een punt bereikt dat de hoop op betere kansen verloren gaat en het systeem als het ware explodeert.
Terug naar het heden, naar de column van Louise O.Fresco. Zij wijst erop dat de werkloosheid onder academici in landen als Griekenland, Spanje en Italië, al ‘schrikbarende vormen’ aanneemt. En ze voegt eraan toe, en dat is echt iets om even langer over na te denken: ‘Waar gebrek aan ambitie en talentontwikkeling Nederland parten speelt, staan jonge Europeanen en andere goed opgeleide jongeren uit de rest van de wereld te trappelen om hier te komen.’
Cornelis Verhage
—
Homo economicus (29 december 2010)
Het dagblad Trouw van 18 december was voor een deel gewijd aan de door de krant jaarlijks opgestelde lijst van schoolprestaties. Ik hecht niet zo veel waarde aan dergelijke lijsten, ik herinner mij nog te goed hoe het blad tot voor kort die schoolprestaties bijna volledig relateerde aan het percentage geslaagden per school en daarmee het kwantitatieve principe nog dominanter maakte dan het al was.
Ondertussen zijn de redacteuren erachter dat het schoolexamen op grote schaal gebruikt wordt om de resultaten van het eindexamen ‘veilig te stellen’. Men heeft ook ontdekt dat dit leidt tot calculerende leerlingen die precies weten hoe ze met zo weinig mogelijk werken toch aan een diploma kunnen komen. Eén van die leerlingen formuleert het aldus:’Het is een economisch principe : met zo weinig mogelijk inspanning toch je doel bereiken.’
Dit principe wordt in brede kring aangehangen en het is ook niet nieuw. De psycholoog Prof. dr. W.K.B. Hofstee gebruikte de term ‘homo economicus’ al meer dan dertig jaar geleden voor de calculerende leerling.
Maar het huidige systeem leent zich wel bijzonder goed voor dit principe. Omdat scholen als geheel gebaat zijn bij snelle doorstroming van zo veel mogelijk leerlingen komt het standpunt van de calculerende leerling overeen met dat van besturen en managers. De leraar zou het vaak wel anders willen maar hij heeft maar heel weinig in te brengen in de onderwijsbureaucratie ( zie hierover een uitstekend artikel van Fenna Vergeer in het decembernummer van Amphora).
Niettemin, degene die de feiten tot zich laat doordringen zal moeten toegeven dat de calculerende leerlingen en de calculerende besturen helemaal niet zo ‘economisch’ bezig zijn.
Zij zorgen ervoor dat er steeds minder geleerd wordt in de beschikbare tijd, wat uiteindelijk betekent dat er knollen voor citroenen worden verkocht: Nederland heeft wel een heleboel onderwijs en een massa gediplomeerden maar het stelt steeds minder voor. Mooie kenniseconomie! En anders dan het Engelse –of Amerikaanse – onderwijsstelsel kent ons land geen top-instituten waar begaafde leerlingen die willen werken aan hun trekken komen. Bart Fleuren, die een jaar in Cambridge studeerde, schreef onlangs in NRC Handelsblad : ‘Studenten en scholieren kunnen hogere examenniveaus aan, ook zonder dat er meer aandacht aan ze wordt besteed, namelijk door zelf beter hun best te doen. Hoe hoger de lat wordt gelegd, hoe groter de kans dat het niveau toeneemt. Hoe harder mensen moeten werken voor iets, hoe meer ze het idee krijgen dat er echt iets valt te leren, en hoe groter de kans dat zij intrinsieke motivatie ontwikkelen om verder te studeren. Mochten zij deze intrinsieke motivatie niet ontwikkelen , dan hebben zij tenminste meer kennis opgedaan en discipline geleerd.’
Om dat in Nederland te bereiken is het nodig dat het schoolexamen wordt afgeschaft, in ieder geval voor zover het medebepalend is voor het behalen van een diploma dat toelatingsrechten verleent. Wie even nadenkt begrijpt dat alle andere voorstellen om het onderwijs te verbeteren op zand gefundeerd zijn als men blijft terugschrikken voor deugdelijke examens.
Cornelis Verhage
—
De valkuil (27 november 2011)
Sedert de tijd van van Kemenade zijn er honderden nota’s, rapporten, verslagen en voorstellen uitgebracht over noodzakelijk geachte veranderingen in het onderwijs.
Het meest recente rapport is dat van de Verkenningscommissie Klassieke Talen en eerlijk is eerlijk, het logenstraft de gedachte dat alles steeds slechter wordt: dit rapport is beduidend beter dan het merendeel van de ondertussen al weer vergeten rapporten uit het verleden.
Het is goed geschreven, het is overzichtelijk en ordelijk opgebouwd, de data die erin worden gebruikt zijn niet onjuist en worden veelal zakelijk gepresenteerd.
Maar toch, toch lijdt het aan hetzelfde euvel als bijna alle rapporten uit het verleden. Dat euvel ( het woord is verwant aan het Engelse ‘evil’) bestaat daarin, dat men , geconfronteerd met een problematische situatie, daar in een flits van partiele helderziendheid een oplossing voor bedenkt en dan vervolgens een redenering opzet die leidt tot de gewenste uitkomst. Een voorbeeld uit het verleden: Bij van Kemenade in zijn Contourennota was de redenering: op de lagere school zitten de kinderen nog allemaal bij elkaar en hebben dus gelijke kansen. In het gedifferentieerde voortgezet onderwijs zijn de kansen echter niet gelijk en daarom moeten wij de middenschool invoeren.
Bij de verkenningscommissie is de gedachtengang ongeveer als volgt: de resultaten voor het onderwijs in het Latijn stellen ernstig teleur. Vooral de centrale examens met de proefvertaling worden vaak erbarmelijk slecht gemaakt. Dat zou allerlei oorzaken kunnen hebben: te weinig training door te weinig lesuren, te weinig oefening door te weinig huiswerk, te veel ongeschikte leerlingen ( onvoldoende aanleg), te veel ongemotiveerde leerlingen ( verkeerde schoolkeuze) , te weinig bevoegde en bekwame leraren, te veel op ‘rendement’ gerichte schoolleidingen ( de helft van de klas onvoldoende, dat kan toch niet).
Al deze factoren of bijna alle worden door de Verkenningscommissie genoemd maar als ‘ bête noire’ wordt het vertalen eruit gelicht. Hoe kan dat? Ik zie als buitenstaander, want ik ben geen classicus, eigenlijk maar één motief: als je dat moeilijke onderdeel, die lastige drempel weghaalt, kun je weer een tijdje vooruit met het gymnasium. Het is een redenering die de afgelopen decennia vooral in het talenonderwijs, veelvuldig is gebruikt en blijkbaar steeds met succes. Nou ja, steeds minder leren.
Persoonlijk geloof ik meer in wat de psycholoog en methodoloog Prof. dr. A.D. de Groot zo’n twintig jaar geleden schreef in het blad van de Vrienden van het Gymnasium : ‘Inzicht in taalstructuur, in grammatica, syntactische mogelijkheden, in herkomst en diepere betekenis van woorden, uitdrukkingen en zegswijzen, in overeenkomst en verschillen tussen de moedertaal en andere talen, enz., dit alles is ‘nooit weg’ en telkens weer nuttig. Ik stel – nee, ik stel vast – dat geen andere schoolopleiding in dit opzicht een betere basis legt, althans kan leggen bij wie daar voldoende begaafd voor is en gevoel voor heeft, dan die van het gymnasium.’
Cornelis Verhage
—
Van Haperen kort door de bocht (1 november 2011)
Enkele weken geleden schreef Ton van Haperen een artikel in NRC Handelsblad waarin hij de aanbeveling deed het ontslagrecht te versoepelen en slechte leraren veel eerder te ontslaan dan nu gebruikelijk is.
Hij heeft zeker een punt maar ik meen toch dat hij te kort door de bocht gaat. Misschien mag ik deze problematiek voor ditmaal eens bekijken vanuit het perspectief van de schoolleider. De gewone, ouderwetse schoolleider die dagelijks met de gang van zaken op zijn school te maken heeft: met uitvallende lessen, met uit de klas gestuurde leerlingen, moeilijke klassen, overspannen leraren enz. Zo’n schoolleider weet dat het niet altijd makkelijk te bepalen is wie een middelmatige en wie een slechte leraar is, of in de toekomst zal zijn. Hij weet ook dat hij als schoolleider daar in zekere zin medeverantwoordelijk voor is.
Het zou natuurlijk het mooist zijn als in de proefperiode die elke leraar moet meemaken, rigoureus de zwakke figuren weggestuurd konden worden. Dat gebeurt niet altijd omdat er voor sommige vakken dan welhaast onvervulbare vacatures kunnen ontstaan. En de praktijk leert dat de meeste schoolleiders – onder druk van de ouders en van de concurrentie – altijd nog liever slechte lessen laten geven dan helemaal geen les.
Onder welke omstandigheden krijgt het onderwijs de beste leraren? Als er grote werkloosheid heerst onder afgestudeerden en er ook in het onderwijs maar weinig vacatures zijn. Die situatie deed zich voor vanaf omstreeks 1935 tot 1945, toen ook in de minst aantrekkelijke plaatsen uitstekend opgeleide leraren voor de klas stonden.
Er zijn maar weinig leraren die onder alle omstandigheden goed functioneren, voor de meeste leraren geldt dat hun prestaties sterk afhankelijk zijn van de omgeving waarin ze moeten opereren.
Een ervaren schoolleider die het begeleiden van beginnende leraren als een kerntaak ziet kan veel betekenen , terwijl beginners die aan hun lot worden overgelaten maar weinig kans maken te overleven. Een goed of een slecht rooster, grote of kleine klassen, onhandelbare leerlingen in de klas, wel of geen morele en daadwerkelijke steun van de schoolleiding – het zijn allemaal factoren die een leraar doen slagen of falen.
Te bedenken valt bovendien dat maar weinig leraren, tijdens hun hele loopbaan, het zelfde niveau van competentie bereiken en behouden. Door persoonlijke omstandigheden, door een geestelijke of lichamelijke inzinking, door onmogelijke onderwijsexperimenten, kan een middelmatige of ook een goede leraar door het ijs zakken. Het is gewoon een zwaar beroep dat niet zonder risico’s is. In de tijd van ‘Bint’ werden leraren weggepest, het gebeurt nu nog.
Veel hangt af van de context waarin men moet werken: hoe is de schoolleiding, hoe zijn de collega’s, hoe worden de schoolregels gehanteerd? In het fabrieksmodel kan de leraar niet gedijen, in het professionele èn collegiale model kan meer bereikt worden dan cynische commentatoren denken.
Cornelis Verhage
—
Prestatieloon (16 oktober 2010)
Het klinkt, in het regeerakkoord, misschien niet alarmerend, maar het is het wel: ‘Er komt meer ruimte voor prestatiebeloning, zowel van personen als teams’. Het is een heel gemene verschuiving van de optiek: eerst, onder andere door de commissies Rinnooy Kan en Dijsselbloem, werd er gezegd dat leraren beter moesten worden betaald, alle leraren dus en dat ze meer inspraak moesten krijgen, nu wordt er impliciet, maar tegelijk keihard, gezegd dat er ‘gewone’ leraren zijn en ‘betere’ en dat die betere leraren meer moeten verdienen.
Natuurlijk druist het hele idee in tegen het leraarschap als professie, als ambt, dat wil zeggen een groep hoogopgeleide , zelfstandig opererende functionarissen die in belangrijke mate zelf bepalen welke eisen gesteld worden aan de beroepsgroep en die elkaar in de eerste plaats zien als collega’s.
Maar ja, veel schoolleiders tegenwoordig zien leraren niet als collega’s maar als ondergeschikten waar ze de boter uit moeten braden, dat wil zeggen tegen zo weinig mogelijk kosten zoveel mogelijk ‘rendement’ halen. Het is ook duidelijk waar dat prestatieloon vandaan moet komen: aangezien er niet meer geld beschikbaar gesteld wordt door het ministerie of door de besturen zal het prestatieloon weggehaald moeten worden bij de ‘gewone’ leraren. Dat wil zeggen de verhoging van de ene groep gaat gepaard met de vernedering van de anderen.
O ja, wie moet beoordelen welke leraren in aanmerking komen voor de verhoging. Uiteraard de directie en het bestuur van de school. Met welke criteria? Uiteraard met subjectieve criteria. Zelfs onder de oude bedeling heb ik moeten ervaren, en ik niet alleen, hoe gemakkelijk het etiket ‘lastig’ gegeven wordt aan leraren die kritiek uiten ten opzichte van het beleid van de schoolleiding. Lastige leraren of ‘ouderwetse’ leraren, of leraren die niet mee willen doen met modieuze fratsen moeten een toontje lager zingen. Veel meer in trek zijn de Uriah Heep figuren, die van likken en ja-knikken weten. En dan is er natuurlijk nog de politieke kleur van de betrokkenen die een rol kan spelen evenals het sociale circuit.
De door de regering beoogde ontwikkeling staat haaks op wat zou moeten gebeuren: minder hoge beloningen voor bestuurders en lieden die niet voor de klas staan. Afspreken dat lesvlieders in de begeleidingssfeer in ieder geval niet meer verdienen dan de gewone leraar. Investeren in de opleiding van leraren, geen ‘goedkope’ onbevoegden aanstellen, terugkeren naar de kleinschaligheid, de collegialiteit onder de leraren bevorderen en het weren van betweters van buitenaf.
Cornelis Verhage
—
De status van een beroep (9 oktober 2010)
Anja Vink, die in 2008 de Prijs voor de Onderwijsjournalistiek won met een artikel over onderwijssegregratie schrijft in een column in het blad ‘Didaktief’(oktober 2010): ‘Het is wonderlijk en zorgwekkend dat de huidige onderwijsjournalistiek steeds verder wegzakt.’ Ze bedoelt daarmee dat er nauwelijks nog sprake is van een aparte vorm van journalistiek voor en over het onderwijs en zegt daarover: ‘Dat heeft niet alleen met geld maar ook met de status van de onderwijsjournalist te maken.’ Die status is gering: ‘Vaak rouleert de functie om de twee jaar of doet een redacteur onderwijs ‘erbij’.’
Anja Vink heeft gelijk als ze gang van zaken zowel wonderlijk als zorgwekkend vindt. Maar ja, het is betrekkelijk lang geleden dat er ‘echte’, onafhankelijke onderwijsjournalisten waren die niet alleen maar persberichten een beetje op- of aanvulden maar die, uit eigen ervaring en onderzoek, de ontwikkelingen konden volgen en duiden. Mensen met een eigen archief die bijvoorbeeld, àls ze er nog waren, zouden kunnen nagaan welke rol de bonden hebben gespeeld bij de totstandkoming van de VO-raad. Die de zwabberkoers van Onderwijsraad en Inspectie zouden kunnen reconstrueren. Die nog weten wat de standpunten van politieke partijen waren ten tijde van Ritzen, Netelenbos , van der Hoeven en Plasterk.
Anja Vink merkt op dat er steeds minder vaste onderwijsredacteuren bij dagbladen zijn en trekt daaruit haar conclusie over de status van het vak.
Dat heeft, vrees ik, ook te maken met het feit dat ‘onderwijs’ niet zo’n hoge status heeft. Ik noem daarvan nog twee voorbeelden. Ten eerste de zg. onderwijsspecialisten in de Tweede Kamer. Het is mogelijk dat er straks een voortreffelijk stel in de Tweede Kamer zit, maar het is niet waarschijnlijk. Ruim twintig jaar lang is het een gezelschap van ja-zeggers geweest ook al konden de ‘specialisten’ weten dat er verkeerde beslissingen genomen werden. Zelfs Deetman, zelfs Netelenbos liet men zitten.
Extra wrang is dat er in het geheel van Eerste en Tweede Kamer heus wel mensen zitten die een scherpe kijk hebben op onderwijs, denk aan de commissie Dijsselbloem, denk aan de commissie Veerman, maar die zitten meestal niet in de Kamer ‘voor onderwijs’.
Ik noem nog een derde sector die laat zien dat de status van degenen die zich met onderwijs bezig houden laag is: de onderwijskunde. Hier zou je kunnen denken aan de titel van het boek van W.F. Hermans ‘Uit talloos veel miljoenen’, een titel die afgeleid is van een uitspraak van Jacob Winkler Prins : ‘Niets, wordt er, niets, uit talloos veel miljoenen’.
Het zijn ongetwijfeld de laagst gekwalificeerde academici die er rondlopen. Ze houden elkaar bezig en praten elkaar na en proberen de mensen in het veld te beïnvloeden. Ze hebben al menige leraar tot wanhoop of razernij gedreven. Het zijn ‘nieuwe vrijgestelden’ die soms een leven lang pretenderen dat zij meer weten over onderwijs geven dan de mensen die het daadwerkelijk doen.
Cornelis Verhage
Bijles, maar niet voor iedereen (30 september 2010)
Het artikel van Lydia Sevenster-van der Lelie, lerares aan het Stedelijk Gymnasium in Haarlem over bijles en examentraining (NRC Handelsblad 25 september 2010), verdient het in brede kring gelezen te worden.
Uit een enquête op haar school bleek dat in de zesde klas de helft van de meisjes en een vijfde van de jongens bijles volgde en dat 66 procent van de meisjes en 30 procent van de jongens examentraining volgde. Vooral scholieren met een exact profiel volgden examentrainingen.
Nu is het nemen van bijles, ik zou bijna zeggen, van alle tijden. Maar zo frequent en zo algemeen gebruikelijk als nu is het waarschijnlijk niet eerder geweest.
Als je spreekt over normale omstandigheden, ik bedoel kwalitatief goed onderwijs, en een voldoende aantal lessen, kun je stellen dat bijles wèl en niet helpt.
Het helpt de leerling die door omstandigheden: ziekte, periode van slecht opletten – de aansluiting heeft gemist. Het is dan een soort overbrugging die tijdelijk nodig is.
Het helpt ook , ogenschijnlijk, de leerling die normaal het onderwijs volgt maar eigenlijk het niveau en/of het tempo niet aankan. Zo’ n leerling kan door flink bijles te tanken soms overgaan naar een volgende klas, soms zelfs slagen voor een examen, maar het is eigenlijk een soort lopen op krukken. Zodra hem de extra hulp wordt ontnomen, blijft hij weer achter.
Er zijn ook leerlingen, of liever hun ouders, die menen dat ze door het nemen van bijles, ipso facto, betere prestaties gaan leveren. Dat is een misverstand, ook voor bijles moet gewerkt worden en de leerling wordt er niet wezenlijk slimmer van.
Mevr Sevenster vindt het zorgwekkend dat er door het toenemend aantal bijlessen en extra trainingen een nieuw soort tweedeling ontstaat in maatschappij en onderwijs waarbij de kinderen van welgestelde ouders extra voordeel hebben. Zij zou willen dat er wat dit betreft ‘gelijke kansen’ waren. En gelijk heeft ze.
Als zoveel leerlingen meer lessen en meer training willen hebben, betekent dit dat zij het aanbod van de school niet toereikend vinden. De school geeft te weinig lessen of geeft die lessen niet goed. Een derde mogelijkheid is dat in de betreffende klas teveel leerlingen zitten die het niveau van die klas maar nauwelijks aan kunnen: ze hebben de ‘level of their incompetence’ bereikt en willen dat compenseren door bijlessen. Een laatste mogelijkheid is, en mevr Sevenster ziet dit als voornaamste oorzaak, dat het onderwijs te vrijblijvend is. Zij schrijft daarover: ‘We hebben inmiddels besloten het roer om te gooien. We overhoren nu ook buiten de toetsweken en zullen sneller ingrijpen als een leerling zijn werk niet in orde heeft. Dit gaat dus allemaal in tegen het idee van de Tweede Fase, dat, zoals de commissie Dijsselbloem al vaststelde, zonder enige test vooraf over onderwijsland is uitgestort.’
Waarvan akte.
Cornelis Verhage
—
Bevoegd en bekwaam
Mijn stelling is dat onderwijssociologen – op grond van hun studie – niets toevoegen aan de kennis van de onderwijspraktijk. Als ze van tijd tot tijd iets verstandigs zeggen is er geen toegevoegde waarde boven het gezonde verstand.
Zo heeft Prof Dronkers ontdekt dat leerlingen er baat bij hebben als ze voldoende lessen krijgen en bevoegde leraren hebben. De prestaties gaan achteruit als er een tekort is aan (bevoegde) leraren. Dronkers concludeert dit na bestudering van de gegevens van de OESO in de internationale vergelijkende onderzoeken van het programma PISA.
Dat klinkt indrukwekkend maar uit het recente verleden (2006) kan bekend zijn dat de PISA gegevens door onderwijskundigen en politici gretig gebruikt worden om eigen stokpaardjes kracht bij te zetten. In 2006 werd bijvoorbeeld op basis van PISA onderzoek geconcludeerd dat Nederlandse scholieren erg goed zijn in wiskunde. Even later bleek dat de gebruikte PISA toetsen vooral bestonden uit taalspelletjes en vrijwel geen ‘wiskunde inhoud’ bevatten, zodat ze absoluut niet geschikt waren om er conclusies aan te verbinden voor het Nederlandse wiskundeonderwijs ( NRC Handelsblad van 19 september 2006)
Ik wil maar zeggen: onderwijskundigen kunnen alle kanten uit, zeker als hun bronnen niet toegankelijk zijn voor de werkers in het veld. Om een bekend citaat van Vergilius te gebruiken : Timeo Danaos et dona ferentes
Over het tekort aan bevoegde docenten nog het volgende. Ik heb ooit de volgende definitie geleerd: competent is bevoegd èn bekwaam. Toegepast op het leraarschap betekent dit dat een bevoegde leraar weliswaar niet altijd bekwaam is maar ook dat een bekwame leraar niet onbevoegd kan zijn. Immers, de bevoegdheid van de leraar heeft betrekking op de kennis en vaardigheden in zijn vak die nodig zijn om het beroep uit te oefenen: het is zijn gereedschap.
Het zou best eens kunnen dat onbevoegd zijn in de loop van de tijd èrger is geworden. Ik bedoel daarmee dat iemand die in de jaren zestig of zeventig een kandidaatsexamen had gehaald of een MO-A diploma , niet veel minder in zijn mars had dan nu degene die onlangs een eerstegraads diploma heeft verworven.
Met andere woorden: de officiële bevoegdheidseisen van nu vormen het absolute minimum voor de bekwame leraar, daar kan niets van af, tenzij dan ten detrimente van het onderwijs.
Cornelis Verhage
—
Geen verheffing maar economisering. (8 september 2010)
Het is makkelijk klagen over de achteruitgang van het onderwijsniveau en over het feit dat grote groepen in de samenleving nauwelijks blijk geven van enige ontwikkeling, ondanks tien of 12 jaar verplicht onderwijs en ondanks verzekeringen van bewindslieden dat er scherp gelet wordt op de kwaliteit van het onderwijs.
Niet iedereen heeft daarvoor een verklaring. Grahame Lock schreef een jaar geleden in het blad Filosofie dat zijns inziens het kennis- en competentieniveau op scholen en in het hoger onderwijs aan het dalen is ten gevolge van de ‘economisering’ van het onderwijs, het vervangen van de ‘verouderde’ notie van Bildung door een begrip van onderwijs als instrument in dienst van het heersende economische stelsel. We worden voor de gek gehouden als we geloven in de beweringen van politici die steeds weer zeggen dat de doorstroming verbeterd moet worden en het rendement verhoogd. Lock zegt hierover: ‘Er zijn twee manieren om (veel) meer studenten te laten doorstromen naar het hoger onderwijs: het gemiddelde IQ flink laten stijgen of het niveau van het (hoger) onderwijs laten dalen.’
De verlaging van het niveau gaat, aantoonbaar, vooral ten koste van de ‘humaniora’, de algemene vorming, meer in het bijzonder de alfavakken.
Blijkbaar is de status van vorming en eruditie ook gedaald. David Van Reybrouck schreef daarover twee jaar geleden in NRC Handelsblad: ‘Het socialisme bekommerde zich ooit om de emancipatie van de arbeider, zowel stoffelijk als geestelijk. Naast een fatsoenlijk pensioen kreeg de arbeider ook toegang tot Tolstoj, Brecht en Eisenstein. Er waren cursussen over Marcuse en Gramsci en filmavonden rond Fellini en Kubrick. Cultuureducatie was een kerntaak van zowat elke zuil: arbeiders werden gevormd tot mondige burgers met een eigen beoordelingsvermogen.’
Van Reybrouck geeft de culturele elite de schuld van het verval: men heeft het willens en wetens zo ver laten komen…’het waren hooggeleerde onderwijsexperts die in Nederland het onderwijs moedwillig hebben uitgekleed.’ Zijn conclusie: ‘Wie de burgerzin tot koopkracht herleidt en de schooltijd tot gezelligheid, weet wat hij kan krijgen: patjepeeërs!’
Ook wie het wat minder pittig wil formuleren kan er niet omheen dat er in het onderwijs een bijna algemene tendens is naar middelmatigheid, oppervlakkigheid, naar verwaterde standaarden en ‘ McUniversities’.
Daardoor komt het dat het steeds vaker gebeurt dat de jongere generatie op het punt van algemene ontwikkeling moet erkennen ‘hebben we niet gehad!’ En soms zeggen ze er ook nog bij, uit verlegenheid: ‘daar hebben we niets mee!’
Cornelis Verhage
—
Oud zeer
De ophef die in de media ontstaan is over ten onrechte uitgereikte diploma’s en over docenten die onder druk worden gezet om voldoende cijfers te geven doet een beetje hypocriet aan.
Dhr Terpstra, de voorzitter van de HBO-raad, reageerde zoals je van een bobo kunt verwachten toen hij in een interview zei dat hij zich niet kon voorstellen dat er op grote schaal druk werd uitgeoefend op docenten om voldoendes te geven. Slim als hij is maakte hij de restrictie ‘op grote schaal’.
De waarheid is dat het op veel plaatsen in het hoger beroepsonderwijs gebeurt, dat dit al jaren zo is en dat het ook in andere sectoren van het onderwijs veelvuldig voorkomt. Vier factoren spelen daarbij een rol. Ten eerste het feit dat examens, of delen van examens, zonder externe controle worden afgenomen. Ten tweede de wijze waarop onderwijsinstellingen worden gefinancierd, namelijk op basis van aantallen leerlingen/studenten en op ‘rendement’- cijfers. Ten derde de concurrentie tussen de instellingen en ten vierde de verzwakte positie van docenten binnen de grote instellingen.
In het middelbaar onderwijs dateren de eerste gevallen van dit soort examenfraude al van 1975 ( zie de brochure ‘Tijd voor onderwijs wordt slecht gebruikt’ van de Vrienden van het Gymnasium).
Met andere woorden, dit bederf bestaat al 35 jaar. En hoewel er nog steeds heel wat docenten zijn die zich hier niet voor lenen en aan wie het ook niet gevraagd wordt, het verschijnsel is toch algemeen bekend, ook bij veel leerlingen en hun ouders.
Dat politici en bonzen doen alsof ze hier echt van opkijken is dwaas. De inspectie heeft er vele malen op gewezen en ook in het rapport van de commissie Dijsselbloem wordt het genoemd. Misschien wel aardig om hier een passage over te nemen uit de hoorzittingen van die commissie ( 26 november 2007):
‘De voorzitter: Dus u zegt dat scholen de resultaten van hun schoolonderzoeken manipuleren – ik gebruik mijn woorden, maar u mag er natuurlijk een ander woord voor kiezen – omdat zij perverse prikkels hebben. Zij moeten er gewoon voor zorgen dat er voldoende mensen slagen? Zo worden ze gefinancierd?
De heer Hanzen: Wat ik met eigen ogen in het laatste jaar dat ik op school werkte heb gezien is dat drie van mijn collega’s zijn ontboden met de vraag die ik zojuist voorlegde. En ik weet van die drie dat ze daar niet in zijn meegegaan.
De voorzitter: Zij krijgen de vraag om de normen bij te stellen?
De heer Hanzen: Ik weet niet hoeveel mensen die vraag gesteld hebben gekregen en er wel in zijn meegegaan. Misschien is het bij die drie gebleven en is er niets aan de hand. Misschien waren het er in werkelijkheid vier of vijf.
De voorzitter: Samengevat, de wijze waarop scholen worden gefinancierd en afgerekend, gaat ten koste van de kwaliteit. De betrouwbaarheid van cijfers over die kwaliteit wordt minder.’
Kortom, het is allemaal bekend en vertrouwd. Ik doe een makkelijke voorspelling: weer een onderzoek, weer een rapport – inderdaad, het is zo – en weer geen maatregelen.
Cornelis Verhage
—
Zwichten voor de middelmaat?
Er is, zoals NRC Handelsblad van 6 januari stelt, ophef ontstaan over een nieuw plan voor de gymnasiale opleidingen.
Omdat de laatste jaren gebleken is dat de resultaten voor de klassieke talen op veel scholen erg mager waren, stelde staatssecretaris van Bijsterveldt een commissie in, die met voorstellen moest komen om de situatie te verbeteren. Onlangs verscheen een tussenrapport. Het spijt me om het te moeten zeggen maar deze commissie sluit zich aan bij een lange reeks van nivellerende tendensen in het onderwijs – van de Mammoetwet tot heden. Immers, als te veel leerlingen blijven zitten moet het leerplan vereenvoudigd worden, het aantal vakken teruggebracht evenals het aantal lesuren, het aantal herkansingen uitgebreid, de examennormen aangepast, enz.
In het bijzonder de alfa-kant van het middelbaar onderwijs heeft in de loop van de jaren enorm moeten inleveren: voor de meeste leerlingen nog maar één vreemde taal als examenvak, geen literatuuronderwijs van betekenis, geen boekenlijsten, geen vertaalopdrachten.
De klassieke talen kennen die vertaling nog wel, als belangrijk onderdeel van het leerplan en als exameneis maar nu blijkt dat leerlingen juist met die vertaling veel moeite hebben, stelt de commissie voor de vertaling maar te laten vervallen.
Gelukkig zijn er ook tegengeluiden. De rector van het Barlaeus Gymnasium heeft erop gewezen dat de gymnasiale opleiding niet bedoeld is voor leerlingen die in feite niet gemotiveerd zijn en die niet over voldoende capaciteiten beschikken. Niet iedereen hoeft de marathon te lopen!
Een duidelijk geluid laat ook Aviva Boissevain horen, de voorzitter van de Vrienden van het Gymnasium: ‘De leerlingenpopulatie van gymnasia neemt sterk toe. Dan krijg je onvermijdelijk leerlingen binnen die de klassieke talen niet aankunnen. Je kunt beter het toelatingsbeleid aanscherpen en het niveau verhogen.’
Hierbij mag nog wel eens vermeld worden dat de gymnasiale opleidingen van lycea of scholengemeenschappen vaak betere resultaten laten zien: hun leerlingen hebben heel bewust voor de klassieke opleiding gekozen.
Enfin, het gaat nog maar om een tussenrapport. Er is nu al heel veel kritiek op de voorstellen van de commissie, zowel van scholen als van individuen. Maar die kritiek moet nog aan kracht winnen, niet alleen van de zijde van voorstanders van een goede gymnasiale opleiding maar in feite van iedereen die eindelijk een eind aan zou willen zien aan verdergaande nivellering en verwatering.
Daarom durf ik ook te vragen: Steun het werk van de Vrienden van het Gymnasium. Cornelis Verhage
—
Scheiding der geesten (21-06-10)
In NRC Handelsblad van 19 juni staat een een interessant artikel met bovenstaande titel. De auteur, Dirk Vlasblom, is van mening dat het stemgedrag van de Nederlandse kiezer niet meer verklaard kan worden door zijn afkomst of levensbeschouwing, maar vooral door zijn opleiding.
De uitslag van de verkiezingen ‘was deels een stemmingsbeeld, gekleurd door de sympathieën en aversies van het moment, deels de afspiegeling van een trend: de toenemende vervreemding tussen hoog en laag geschoolde Nederlanders’.
De hoogopgeleiden in onze ‘diplomademocratie’ hebben het voor het zeggen in de politiek en dat verklaart mede dat lager opgeleiden minder vertrouwen hebben in de traditionele politieke partijen en zich wenden tot partijen als eerder de LPF en nu de PVV. De in het artikel geciteerde sociologen Houtman en Achterberg gaan nog een stap verder en zeggen: ‘Leefstijlen, politieke opvattingen: hoog en laag opgeleiden verschillen gewoon van elkaar.’
Heeft het onderwijs dat verschil gemaakt? In het artikel wordt die vraag impliciet bevestigend beantwoord maar dat lijkt mij niet juist. Het is veeleer ‘de onrechtvaardige natuur’ die maakt dat de begaafdheidsverschillen tussen mensen ook tot uitdrukking komen in het bereikte onderwijsniveau. En de ‘diplomademocratie’ zorgt er dan voor dat de hoger opgeleiden aan de touwtjes trekken in bestuursorganen en in de politiek.
Onderwijzers en leraren zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor vorming en opleiding van de bevolking. Zij moeten er voor zorgen, in ieder geval ernaar streven dat alle jonge burgers, ook degenen die met minder talent zijn toegerust, opgeleid worden tot zelfstandige, kritische en mondige burgers. Dat lukt slechts ten dele. De lager opgeleiden zijn blijkbaar wel mondig maar niet erg kritisch. De hoger opgeleiden hebben een te hoge dunk van zichzelf, vaak op basis van een opleiding die meer pretendeert dan ze inhoudt. Daardoor worden ‘nieuwe’ regenten gekweekt en het kan geen kwaad als die eens ondervinden hoe weinig kleren ze eigenlijk aanhebben.
Het onderwijs kan wellicht beter gemaakt worden. Niet door in het wilde weg meer geld te verstrekken maar door gericht te werken aan hogere eisen voor aankomende onderwijsgevenden. Onderwijzers en leraren moeten erbóven staan, zodat ze respect afdwingen bij hoog èn laag. Geen volgzame vakkenvullers dus maar mensen met status en beroepseer. Daardoor worden ontwikkelingen in de samenleving niet ineens maakbaar of politici wijzer maar het kan wel helpen om de burgers kritischer te maken
Cornelis Verhage
—
Van je geloof afvallen (21-06-10)
Toen ik op de volkstuin mijn schoffel onbeheerd achterliet waarna die prompt gestolen werd, zei mijn buurman hierover: ‘Jij bent ook te gelovig’. En inderdaad, hij had gelijk. Misschien was die goedgelovigheid, dat vertrouwen in de medemens, wel gerelateerd aan mijn leraarschap. Immers, leraren zijn altijd gevoelig geweest voor ideologieën die berusten op vertrouwen in de medemens.
Zoals in een voortreffelijk artikel in het laatste nummer van ‘De Groene Amsterdammer’ wordt opgehaald vielen veel mensen in de jaren zestig en zeventig van hun godsdienstig geloof en werden links, voor sommigen een substituut-religie die de maakbaarheid van de samenleving voor ogen had. In het onderwijs kregen deze ideeën nader vorm in het ideaal van de gelijke kansen en het streven naar de middenschool. Dat idealisme in het onderwijs hield geen stand: in de jaren tachtig moesten de onderwijsvernieuwers erkennen dat hun geloof strandde op de weerbarstige praktijk en de gelovigen vielen voor de tweede keer van hun geloof af. René Cuperus, onderzoeker bij de Wiardi Beckman Stichting zegt in het artikel: ‘De leegte die dat naliet wordt nu gevuld door neo-liberale praatjesmakers en zakkenvullers’.
En nu dan, hebben de mensen in het onderwijs nog vertrouwen in degenen ’die boven hen gesteld zijn’? Geloof in wat de autoriteiten hun voorhouden, bijvoorbeeld Plasterk of Van Bijsterveldt?
Nee, wie een beetje bijhoudt wat er in het onderwijs gebeurt ziet niet veel bevlogen idealisme. Daar is ook geen reden voor. Er is weinig geloof omdat er weinig vertrouwen is. Dat vertrouwen zou herwonnen moeten worden door ‘de politiek’. Maar de politiek laat geen daden zien die vertrouwen rechtvaardigen. De praatjesmakers en de zakkenvullers worden ongemoeid gelaten, de arbeidsomstandigheden van de leraren worden nauwelijks verbeterd, de lerarenopleidingen zijn kwalitatief (ver) onder de maat, aan niveaubewaking wordt te weinig gedaan enz.
Het is mogelijk dat er, zoals in het artikel in ‘De Groene’ wordt gesteld, sprake is van een morele crisis: ‘Elites varen hun eigen koers, ze nemen het managementjargon over en tuigen zichzelf daarbij ook nog op met de illusie dat ze het algemeen belang dienen.’
Een dergelijke crisis is bar slecht voor het onderwijs. Goed onderwijs heeft wèl idealisme nodig, geen cynisme. Dat idealisme is altijd ( latent) aanwezig bij leraren maar het wordt al jaren niet meer aangesproken op een manier die vertrouwen wekt. Zolang dat zo blijft is echte verbetering niet mogelijk.
Cornelis Verhage
—
Oremansdover (14-05-10)
Een leerzame ervaring. Zo noemde De Volkskrant van 8 mei wat de voorzitter van het CDA in Enschede overkwam. Jan Bolscher, oud-rector van het Bonhoeffer College in Enschede, had een wijzigingsvoorstel ingediend op het concept van het verkiezingsprogramma van de landelijke CDA. Naar zijn inzicht schoten kwaliteit en doelmatigheid van het voortgezet onderwijs ernstig tekort. En zo nog een en ander.
Maar zijn amendement kreeg een negatief advies van het partijbestuur. Het was ‘negatief van toon’. Er ging de suggestie van uit dat het ‘alleen maar kommer en kwel’ is in het onderwijs.
Wat Bolscher meemaakte is in feite typerend voor de sfeer van de Nederlandse onderwijspolitiek. Men wil geen vervelende dingen horen over de stand van zaken in het onderwijs.
Het is niet dat de kennis daarover ontbreekt. Er zijn inspectierapporten, er is het verslag van een parlementair onderzoek Onderwijsvernieuwingen ( de commissie Dijsselbloem) en er is nu ook over het hoger onderwijs een rapport dat er geen doekjes om windt ( commissie Veerman). Maar degenen die verantwoordelijkheid dragen voor de droeve toestand hebben manieren gevonden om met de kritiek om te gaan.
Soms negeren ze de slechte berichten helemaal of stoppen de rapporten onderin een bureaula. In de brochure ‘Tijd voor onderwijs wordt slecht gebruikt’ van de Vrienden van het Gymnasium zijn verschillende voorbeelden te vinden.
Maar vaker reageren de bewindslieden, Kamerleden, onderwijskundigen en bonzen met geveinsd enthousiasme en noemen de inhoud van de rapporten ‘interessant’ en ‘inspirerend’. Om er vervolgens niets mee te doen.
Het meest recente voorbeeld vond ik in een column van J.L. Heldring in NRC Handelsblad van 6 mei. Hij citeert daarin uit de Algemene Beschouwingen bij het Jaarverslag van de Raad van State. De vice-voorzitter, dhr Tjeenk Willink schrijft daarin over het ‘het gebrek aan talenkennis’ dat ‘een van de ( onbedoelde) neveneffecten is van de onderwijsvernieuwing en van de eenzijdige sociaal-culturele gerichtheid op de Verenigde Staten en op het Verenigd Koninkrijk.’
Dat ‘onbedoelde’ is nog vriendelijk aangeduid want de onderwijsvernieuwing leidde immers onafwendbaar tot het genoemde gevolg. Heldring zegt het nog duidelijker: ‘Studenten – in wel vak dan ook – kun je geen boeken in het Frans of Duits meer voorschrijven. Die talen kennen ze niet – ook niet passief. Daarvoor is vaak het Engels in de plaats gekomen – veelal gebrekkig Engels. Aansluiting bij de Engelstalige wereld wordt daarmee ook niet gediend.’
Ja, zulke dingen horen de politici niet graag. En niemand is zo doof als degene die niet wíl horen.
Cornelis Verhage
—
Denkfouten (04-05-10)
De slogans en denkfouten die vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw een heel verkeerde invloed hebben gehad op de ontwikkeling van het onderwijsbeleid doen hun invloed nog steeds gelden. De belangrijkste is deze: ‘Alle mensen zijn in wezen (in principe, in hoofdzaken) gelijk.’
Op het onderwijs toegepast leidt dit tot pleidooien voor invoering van de middenschool, of tot uitstel van studiekeuze (‘ iedereen kan op de duur alles leren’) en tot verlaging van de eisen.
Wat te denken van de volgende alinea in een artikel in het regionale dagblad BNde Stem van 1 mei: ‘Het vmbo verliest terrein op havo en vwo. Was de verhouding jarenlang ruwweg respectievelijk 60 (vmbo) tegen 40 procent (havo en vwo), de laatste jaren gaat de verhouding gestaag naar de 50 procent’.
De manier waarop dit geformuleerd wordt wekt de indruk dat er ook wel 70 of 80 procent van de leerlingen naar havo en vwo kunnen gaan. Als de ouders en de kinderen daarvoor kiezen verliest het vmbo nog verder terrein, toch?
Bijna alle ouders uit de middenklasse en dat is al meer dan dertig jaar zo, hebben een grote voorkeur voor vwo, eventueel havo voor hun kinderen : ‘Onze Jan mag toch naar de havo!’ Het vmbo wordt als ‘lager’ gezien, soms als ‘a fate worse than death’.
De verschuiving die nu volgens de krant plaats vindt is daarom op twee manieren te verklaren. Ten eerste is de negatieve waardering voor het vmbo blijkbaar nòg algemener geworden zodat ook ouders die er tot nu toe vrede mee hadden dat hun kinderen gewoon ‘een vak’ gingen leren nu ook menen dat ze weg moeten blijven van het vmbo.
De druk van ouders waartegen hoofden van basisscholen lang niet altijd bestand zijn resulteert dan in een grotere doorstroming naar havo en vwo. Ook bijlessen en andere middelen kunnen helpen om de toelatingsdrempels te passeren. Op deze manier worden bij de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs ‘rekbare’ en ‘oneerlijke’ maatstaven gehanteerd. Het is de vraag of de nadelige effecten daarvan ook worden waargenomen en geregistreerd in het vervolg van de opleidingen. Voor alle opleidingen is immers een daling van het gemiddelde niveau te verwachten maar dat hoeft voor het oog geen consequenties te hebben omdat immers ook daar èn in het hoger onderwijs de maatstaven rekbaar zijn. En van die rekbaarheid wil men ook niet af omdat het bestuurders en managers, die zoals bekend, in belangrijke mate de dienst uitmaken in het onderwijs, goed uitkomt dat zij de kwantiteit van de leerlingenpopulatie kunnen reguleren. In die strategie is geen plaats voor de overweging dat het èn in het belang van het vmbo èn in het belang van havo en vwo is, om te selecteren op kwalitatieve gronden.
Cornelis Verhage
—
De minder mooie kant (28-04-10)
Wie zegt dat er in het onderwijs veel te veel vernieuwd en veranderd is heeft op voorhand gelijk maar anderzijds, op enkele kardinale punten die 35 jaar geleden al vroegen om een oplossing, is nog steeds niets gebeurd. Bijvoorbeeld, hoe moet men omgaan met een steeds grotere en bredere groep van jongeren die toelating wenst tot het hoger onderwijs?
De officiële reactie, ook van bijna alle politieke partijen is al jaren gemakkelijk voorspelbaar. Men vindt kennis en innovatie belangrijk voor welvaart en werkgelegenheid, men meent dat kennis onze belangrijkste grondstof is en dat onderwijs een topprioriteit hoort te zijn ( zie het artikel van Robbert Dijkgraaf en Louise O.Fresco in NRC Handelsblad van 24 april). Alle politieke partijen willen méér investeren in het onderwijs.
Het is zeer de vraag of dat zinvol is. Peter de Reijke, hoofddocent bedrijfskunde in het hbo, schreef daarover: ‘Meer geld in het hoger onderwijs pompen onder handhaving van de bestaande structuur maakt de verspilling nog erger’ ( BN DeStem 17 april). Het rapport van de commissie Veerman over het hoger onderwijs lijkt de Reijke gelijk te geven. Bastiaan Bommeljé, die daarover in NRC Handelsblad schrijft (24 april), laat zien hoe vernietigend het oordeel van deze commissie ( en van de Onderwijsinspectie) is: het niveau is te laag, het rendement is veel te laag, de outputfinanciering is een ‘buitengewoon slecht’ stelsel, het toezicht op de kwaliteit van de examens schiet tekort, er wordt gesjoemeld bij tentamens en examens, enz. Bommeljé meldt ook nog ‘dat het ministerie van OCW dit voorjaar een rapport geheim hield waarin werd vastgesteld dat van alle Europese landen alleen in Nederland de ‘geletterdheid’( de vaardigheid complexe teksten te lezen en te begrijpen) vooral onder hoger opgeleiden, was afgenomen.’
De Reijke, die van oordeel is dat er teveel ongeschikten doorstromen naar het hoger onderwijs – ik ben het met hem eens – meent dat het belangrijkste middel ter verbetering een scherpere selectie is voor het hoger onderwijs: selectie aan de poort. Maar, zegt hij, die selectie moet niet geschieden door de instellingen zelf want dan redeneert men ‘als wij streng zijn en veel aspirant-studenten weigeren zetten onze concurrenten de poort juist open en is onze concurrentiepositie vernield.’ En omgekeerd ‘Als onze concurrenten streng selecteren, doen wij dat juist niet, want dan groeit ons marktaandeel’.
Enfin, in het middelbaar onderwijs weten we heel goed hoe eindexamens en schoolonderzoeken functioneren. Ook al meer dan dertig jaar.
Tenslotte, het sombere beeld geschetst door de commissie Veerman, ondersteund door Bommeljé en de Reijke, doet erg denken aan de conclusies van de commissie Dijsselbloem ten aanzien van het voortgezet onderwijs: heel kritisch, heel duidelijk, vragend om directe actie van de overheid. En wat gebeurde daarmee, onder toeziend oog van dhr Plasterk? Bijna niets.
Cornelis Verhage
—
Goed nieuws? (12-04-10)
In NRC Handelsblad van 8 april stond een bericht over leerlingen van de hoogste klas van de basisschool die straks niet worden toegelaten tot de middelbare school waar hun voorkeur naar uitgaat. Ze zijn uitgeloot. In Amsterdam en omgeving gaat het om zo’n vijfhonderd kinderen maar de problematiek speelt ook elders in de Randstad.
Slecht nieuws voor ouders en kinderen wier keuze wordt gefrustreerd. Niet alleen voor het gymnasium zoals men geneigd is te denken, maar ook voor sommige mavo’s en vwo- scholen.
Het is het resultaat van bewust onderwijsbeleid van onder anderen Deetman, Wallage, Netelenbos en van der Hoeven: het bevorderen van grootschaligheid en autonomievergroting van besturen.
In zekere zin is dit bericht – en het verschijnsel zal in de komende jaren nog weer sterker zijn – toch ook goed nieuws. Waar columnisten, actiegroepen van leraren, zelfs politici ( de commissie Dijsselbloem) geen gehoor vonden voor hun terechte kritiek en bezorgdheid, zijn het nu de direct belanghebbenden, namelijk de ouders en de leerlingen ( in het mbo) die ondubbelzinnig laten weten waar ze voor kiezen: voor kleinschalig onderwijs, voor bekwame en betrokken leraren, voor een goede sfeer en voor kwaliteit. In feite precies die factoren die in het buitenland geassocieerd worden met het particulier onderwijs.
Zoals het zich nu laat aanzien is er een ‘mismatch’, vooral in de Randstad, tussen aanbod en vraag. Men vraagt om kleinschaligheid en betrokkenheid, men krijgt vaak grote en onoverzichtelijke scholen met veel verloop en gerommel.
De onderwijskundigen en de politici van onlangs die de grootschaligheid aanprezen, behalve voor hun eigen kinderen, hoor je niet meer, maar de bestuurders en managers houden stevig vast aan hun mammoetscholen.
Hoe gaat het nu verder? De roep van de ontevreden ouders en leerlingen moet zoveel mogelijk aandacht krijgen, zo dat ook de luie politici van nu, die in de verkiezingstijd graag laten weten dat er liever niet bezuinigd mag worden op onderwijs, gaan inzien dat ze moeten kiezen voor kwaliteit, voor kleinschaligheid, voor verbetering van de lerarenopleidingen, voor betere examens, voor inperking van de macht van besturen en, niet te vergeten, voor concrete maatregelen die daarvoor nodig zijn.
De politici die dat niet inzien of wie het onverschillig laat, kiezen ook, namelijk voor een onderwijssysteem met slecht of middelmatig onderwijs voor een grote meerderheid en met goed en kleinschalig onderwijs voor een minderheid. En het laat zich raden wie dan tot die meerderheid en wie tot die minderheid behoren.
Cornelis Verhage
—
Ingezonden brief (29-03-10)
Zojuist heb ik een ingezonden brief verstuurd. De inhoud is als volgt: ‘Het interessante artikel van Willem Raaijmakers in BN DeStem van 27 maart over het ‘populisme’ en de grote kloof tussen hoog- en laagopgeleiden gaat op verschillende punten vrij kort door de bocht. Raaijmakers denkt bij populisme blijkbaar vooral aan het ‘rechtse’ populisme van Geert Wilders maar er bestaat uiteraard net zo goed ‘links’ populisme zoals indertijd van Marcus Bakker en Marcel van Dam of liberaal populisme zoals van Hans Wiegel. De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden is zeker niet groter geworden. Honderd jaar geleden waren er nog heel wat Nederlanders die helemaal geen onderwijs hadden genoten – dat was pas een kloof!
Raaijmakers doet het voorkomen alsof alleen de laagopgeleiden ontvankelijk zijn voor de boodschap van populisten maar dat is helemaal niet waar. De PVV zal zeker ook in de ‘betere’ buurten veel stemmen halen.
Tenslotte, de belangrijkste remedie tegen het populisme is volgens Raaijmakers: ‘onderwijs, onderwijs en nog eens onderwijs’. Helaas, daar is de grens bereikt, althans waar het gaat om het aanbieden en verplicht stellen van onderwijs. Bijna alle Nederlanders hebben tien of meer jaren onderwijs gevolgd en toch wordt de kloof niet kleiner! Een pijnlijke constatering die met twee dingen te maken heeft: het onderwijssysteem is geen ‘gelijkmaker’ maar een ‘ongelijkmaker’ en ten tweede, het verwerven van kennis maakt niet als vanzelf verstandiger – en zeker niet wijzer.’
Kranten zijn allergisch voor lange ingezonden stukken, dus hier heb ik het bij gelaten. Echter, voor de deskundige lezers van mijn columns wil ik er nog iets aan toevoegen. De uitbreiding van het onderwijs in de laatste veertig jaar is vooral kwantitatief van aard geweest. Dat betekent dat méér soms minder betekent. Bij voorbeeld, het curriculum van de 5-jarige HBS bood, vooral in de breedte , heel wat meer dan de huidige 6-jarige vwo opleiding. Het zelfde geldt onder meer voor de m.u.l.o. vergeleken met de latere mavo, voor de kweekschool vergeleken met de pedagogische academie. Er is sprake van een merkwaardige paradox, door de Britse wetenschapper Frank Furedi als volgt verwoord: ‘that the more society invests and expects of education, the less that schools and universities demand of students’.
Als ik de berichten in de media daarover mag geloven zijn er ondertussen mbo- opleidingen waar niets of bijna niets wordt geleerd. Het zijn een soort hangplekken geworden.
Wat nodig is daarom is niet in het wilde weg méér onderwijs aanbieden, maar beter onderwijs. Dat maakt mensen niet immuun voor populisme en andere kwalen maar misschien helpt het een beetje.
Cornelis Verhage
—
Plasterk komt terug (15-03-10)
Oud-minister Plasterk zal zich zeker niet zo vermoeid hebben als oud-minister Bos, althans niet met hard werken op zijn beleidsterrein. Dhr Rouvoet, die nu het ministerschap waarneemt, een man die niet vaak op een onbezonnen uitlating betrapt kan worden, zei: ‘De afgelopen jaren is er in de portefeuille van de heer Plasterk te veel de indruk gewekt dat we een staatssecretaris van Onderwijs hadden en een minister van Feesten en Partijen en Emancipatiebeleid.’
De eenvoudige burger denkt dan: die Plasterk zal wel niet in aanmerking komen voor een nieuwe ambtsperiode op hetzelfde departement. Daar wordt anders over gedacht door de columnist van het Onderwijsblad, Ton van Haperen. Die noemt Plasterk ‘de beste minister van de laatste twee decennia’.Zijn redenering is even simpel als ingenieus: dhr Plasterk heeft namelijk niets gedaan. De vorige bewindslieden, hij noemt Ritzen, Hermans en Van der Hoeven, waren ‘regelrechte vernielers’ met name door hun decentralisatiemaatregelen waardoor de managers zichzelf excessief konden belonen en het onderwijs konden verzieken. En de verdienste van Plasterk is dat hij niet medeplichtig is.
De vorige bewindslieden hebben, zo is de redenering van Van Haperen, regelingen bedacht waardoor dieven en rovers vrij spel hebben in het onderwijs en Plasterk laat dat maar zo. Voor hem pleit dat hij niet meedoet met de boeven. Wel, ik zou zeggen, aan zo’n bewaker van het culturele erfgoed heb je niet veel, zelf stelen heeft hij niet gedaan, hij is niet openlijk bevriend met de boeven, hij… hij heeft zich in de afgelopen periode geamuseerd.
Zo iemand moet niet geprolongeerd worden, zou je denken, Een leraar die geen gezag heeft en consequent vervelende dingen uit de weg gaat, al drie jaar achtereen, moet niet in het onderwijs blijven en zeker niet op dezelfde school. Zijn reputatie is al bekend voor hij de nieuwe klas binnentreedt. Misschien, als hij zijn leven betert en luistert naar goede raad, kan hij het elders , een eind uit de buurt, nog eens proberen.
PLasterk zou dat zelf moeten inzien. In het interview dat het Onderwijsblad met hem heeft – hij wordt daar echt op het schild geheven – laat hij blijken dat hij in grote lijnen wel ziet wat er fout is in het onderwijs, hij is slim genoeg, maar dat is niet genoeg, er is een veel krachtiger figuur nodigt, iemand die ontzag wekt en resoluut misstanden aanpakt. Iemand die even hard is als Wallage of Netelenbos, maar dan voor het goede doel.
Cornelis Verhage
—
Op weg naar de verkiezingen (07-03-10)
De komende tijd zal er, in verband met de verkiezingen, weer veel over onderwijs gepraat worden. De politieke situatie is onstabiel, de verschillende partijen weten vaak niet hoe ze in concreto de problemen moeten aanpakken, maar uitspraken doen over het ‘het belang van goed onderwijs’ is altijd goed. Bovendien, maatschappelijke problemen kunnen vaak prima doorgesluisd worden naar het onderwijs. Normen en waarden: laat het onderwijs die maar overdragen, milieubewustzijn is uitstekend te propageren door middel van het onderwijs, evenals gezond eten en drinken, er moet beslist aandacht zijn voor sexuele voorlichting, voor ontwikkelingssamenwerking, voor sociale integratie en tolerantie – maar ook voor het gevaar van de Islam – gooi het maar in de grote kookpot van het onderwijs.
Dat de maatschappij verandert is ondertussen een soort dogma geworden en omdat dit zo is moet het onderwijs zich ook steeds aanpassen en veranderen en dat als een welkome uitdaging zien.
Helaas, de leraren hebben zich de afgelopen decennia niet voldoende teweer gesteld tegen al die boodschappen, die opdrachten, die van buitenaf en eigenlijk uit onmacht en onverstand zijn verstrekt.
De enige opdracht die leraren hebben te aanvaarden is het overdragen van kennis en vaardigheden vanuit hun vakgebied en hun deskundigheid. De rest is extra, niet in plaats van.
Als de politieke partijen iets willen doen voor het onderwijs moeten ze zich ten zeerste beperken in de ‘boodschappen’ die ze willen geven en daarentegen meewerken aan de vrijmaking en bescherming van het leraarsberoep. De leraren moet vrijgemaakt worden van de bureaucratie, van de bazen en de baasjes, van willekeur en schaalvergroting, ze moeten beschermd worden tegen manipulatie en valse voorlichting, tegen niveaudaling en uitholling van hun beroep.
En zelf, wat moeten ze zelf doen? Voor velen van hen geldt dat ze moeten opstaan uit passiviteit en defaitisme, dat ze de ambitie moeten hebben om hun vakkennis en hun ontwikkeling te vergroten en te verbreden, dat ze alert moeten zijn om kletspraat over het onderwijs tegen te spreken, dat ze moeten proberen solidair te zijn met hun collega’s. Met wantrouwen ten opzichte van ‘uitdagingen’ die door politici en onderwijskundigen worden voorgesteld, met enthousiasme voor verbeteringen vanuit de praktijk
Cornelis Verhage
—
Oude trucs (01-03-10)
Toen ik afgelopen zaterdag met de trein naar Utrecht reisde zag ik op het perron een affiche met het portret van oud-minister Plasterk die, twee belerende vingers opstekend, zei: ‘Geen kind van school zonder diploma!’
Het lijkt goed bedoeld van Plasterk maar hij weet, slim als hij is, dat het een vorm van volksverlakkerij is. Het is immers niet interessant of iemand een diploma heeft maar veeleer of het iets voorstelt. Dat is een veel belangrijker onderwerp. Er zijn nu al opleidingen die diploma’s verstrekken aan kinderen die nauwelijks kunnen lezen en schrijven, dus waar hebben we het over?
Misschien bedoelt Plasterk dat de schooluitval teruggedrongen moet worden. Blijkbaar zijn er duizenden leerlingen die het niet op kunnen brengen, hetzij met of zonder diploma, langer op school te blijven. Als dat zo is moet niet doorgegaan worden op dezelfde weg, met méér zelfwerkzaamheid zonder begeleiding, uitvallende lessen, gebrek aan regelmaat en doelgerichtheid.
Het zou me niets verbazen als voor veel leerlingen in de sfeer van vmbo en mbo een kortere, compactere leerweg meer succes heeft dan het doorgaan met meer van hetzelfde.
Enfin, zo werd ik , wachtend op de trein, ongevraagd geconfronteerd met het hoofd van Plasterk, die dus, zoals gebruikelijk onder bewindslieden, impliciet de leraren de schuld gaf voor de diploma-loze kinderen. En niet aan zichzelf en aan zijn voorgangers die het onderwijs uit handen hebben gerukt van de vaklui en in handen hebben gegeven van managers en onderwijskundigen.
Ik zou die dag nog een bewindspersoon aan het werk zien. Op het Symposium van Beter Onderwijs Nederland verscheen staatssecretaris van Bijsterveldt die de BON-leden toesprak. Zij betoonde zich een gewiekste draaier, ongeveer zoals vroeger Jacques Wallage. Zij paste ook een oude truc toe die tot mijn verbazing door de toehoorders nauwelijks werd opgemerkt.
Zij vertelde dat zij heel begaan is met het onderwijs, heel enthousiast en blij en dat ze daarom graag ‘in het veld’ het contact zoekt met de onderwijsgevenden. En op haar tochten heeft zij een en andermaal docententeams gezien die ondanks tegenslagen, kans zien door extra inzet en groot enthousiasme , bijzondere prestaties te leveren waardoor de school veel beter is geworden. Ook prees zij bepaalde inspirerende schoolleiders die kans zien hun leraren zo te motiveren dat zij graag extra inspanningen leveren. Wat een prachtige voorbeelden zijn dat!
Hiermee bereikt van Bijsterveldt twee dingen, eerst dat niet zij maar de onderwijsgevenden verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijs en vervolgens dat zij dus ook niets hoeft te doen aan de belabberde arbeidsvoorwaarden van de leraren.
Ik zou de BON- leden willen aanraden: laat je toch geen oren aannaaien!
Cornelis Verhage
—
Liever de hele waarheid (01-02-10)
Ik ben, waarschijnlijk onbewust, geneigd een verslaggever te geloven die boeiend over zijn of haar ervaringen kan vertellen. Zo iemand is Anja Vink, die in de afgelopen weken zowel in NRC Handelsblad (16 januari), als in Het Onderwijsblad (30 januari), schreef over haar ervaringen op een zwarte vmbo-school in de Amsterdamse Bijlmermeer. Je voelt meteen, die ervaringen zijn authentiek, wat ze vertelt is de waarheid. Een deprimerende waarheid van kansarme kinderen met grote taalachterstand, op een school die geen kans ziet behoorlijk onderwijs te geven. Op de school waar zij werkte was ‘een kleine groep leerlingen, hooguit 5 procent, die met hun storende gedrag de school lamlegden’. Een andere negatieve factor, aldus Vink, op achterstandsscholen, is de kwaliteit van de docenten: soms 40 procent van de leerkrachten heeft geen volwaardig diploma.
Anja Vink is verontwaardigd over het bestaan van dergelijke scholen, over wat zij onderwijssegregatie noemt. Zij is ook boos op de commissie Dijsselbloem die gezegd zou hebben ‘dat onderwijs als motor van het opheffen van achterstand een achterhaald principipe is. En daarmee veegt Dijsselbloem onder het tapijt dat in deze tijd een gesegregeerd schoolsysteem juist bijdraagt aan een steeds groter wordende onderklasse die niet goed toegerust op de arbeidsmarkt verschijnt.’
Ja, wat de schrijfster hier doet is wat de Engelsen ‘begging the question’ noemen. Zij doet het voorkomen of wat zij noemt ‘segregatie’ een wettelijk vastgelegd systeem is, zoals eens de apartheid in Zuid – Afrika. Maar daar is natuurlijk geen sprake van. Dat er achterstandsleerlingen zijn, dat er grote ongelijkheid bestaat, valt moeilijk te ontkennen, maar die ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door de school, de school registreert die ongelijkheid en die achterstand maar biedt, als het goed is de leerlingen ook de kans om hun toekomstperspectief te verbeteren.
Maar goed, Anja Vink heeft nog meer pijlen op haar boog. Zij meent, het is bepaald geen nieuwe gedachte, dat het gewenst zou zijn te kiezen voor een ‘evenwichtig gemengde school’van arme en niet-arme leerlingen zonder een ongecontroleerde instroom van achterstandsleerlingen. Zij heeft ontdekt dat dergelijke gemengde scholen op enkele plaatsen in de Verenigde Staten bestaan, met name in New York en in Cambridge ( Massachusets). En dan volgt de magische uitspraak: ‘Uit onderzoek blijkt dat de prestaties van arme leerlingen vooruitgaan en misschien nog belangrijker: de prestaties van de middenklasseleerlingen lopen geen schade op.’
Wie ben ik om dat tegen te spreken. Ik kan allen wijzen op een niet onbelangrijke omissie. In Groot Brittannië en in de Verenigde Staten gaat zo’n acht procent van de leerlingen – op sommige plaatsen uiteraard meer – naar particuliere scholen. Ook geslaagde ‘allochtone’ ouders laten hun kinderen daar graag heen gaan. En, er is in het verleden wel gebleken toen progressieve autoriteiten de ouders via ‘middenschool’ en ‘busing’ wilden dwingen om hun kinderen mee te laten werken aan een gemengd systeem: hoe groter de druk, hoe meer ouders naar wegen zoeken ( verhuizen, in naam godsdienstig worden, desnoods kromliggen onder de financiële last) om hun kinderen niet aan dat systeem prijs te geven
Cornelis Verhage
—
Zwichten voor de middelmaat? (10-01-10)
Er is, zoals NRC Handelsblad van 6 januari stelt, ophef ontstaan over een nieuw plan voor de gymnasiale opleidingen.
Omdat de laatste jaren gebleken is dat de resultaten voor de klassieke talen op veel scholen erg mager waren, stelde staatssecretaris van Bijsterveldt een commissie in, die met voorstellen moest komen om de situatie te verbeteren. Onlangs verscheen een tussenrapport. Het spijt me om het te moeten zeggen maar deze commissie sluit zich aan bij een lange reeks van nivellerende tendensen in het onderwijs – van de Mammoetwet tot heden. Immers, als te veel leerlingen blijven zitten moet het leerplan vereenvoudigd worden, het aantal vakken teruggebracht evenals het aantal lesuren, het aantal herkansingen uitgebreid, de examennormen aangepast, enz.
In het bijzonder de alfa-kant van het middelbaar onderwijs heeft in de loop van de jaren enorm moeten inleveren: voor de meeste leerlingen nog maar één vreemde taal als examenvak, geen literatuuronderwijs van betekenis, geen boekenlijsten, geen vertaalopdrachten.
De klassieke talen kennen die vertaling nog wel, als belangrijk onderdeel van het leerplan en als exameneis maar nu blijkt dat leerlingen juist met die vertaling veel moeite hebben, stelt de commissie voor de vertaling maar te laten vervallen.
Gelukkig zijn er ook tegengeluiden. De rector van het Barlaeus Gymnasium heeft erop gewezen dat de gymnasiale opleiding niet bedoeld is voor leerlingen die in feite niet gemotiveerd zijn en die niet over voldoende capaciteiten beschikken. Niet iedereen hoeft de marathon te lopen!
Een duidelijk geluid laat ook Aviva Boissevain horen, de voorzitter van de Vrienden van het Gymnasium: ‘De leerlingenpopulatie van gymnasia neemt sterk toe. Dan krijg je onvermijdelijk leerlingen binnen die de klassieke talen niet aankunnen. Je kunt beter het toelatingsbeleid aanscherpen en het niveau verhogen.’
Hierbij mag nog wel eens vermeld worden dat de gymnasiale opleidingen van lycea of scholengemeenschappen vaak betere resultaten laten zien: hun leerlingen hebben heel bewust voor de klassieke opleiding gekozen.
Enfin, het gaat nog maar om een tussenrapport. Er is nu al heel veel kritiek op de voorstellen van de commissie, zowel van scholen als van individuen. Maar die kritiek moet nog aan kracht winnen, niet alleen van de zijde van voorstanders van een goede gymnasiale opleiding maar in feite van iedereen die eindelijk een eind aan zou willen zien aan verdergaande nivellering en verwatering.
Daarom durf ik ook te vragen: Steun het werk van de Vrienden van het Gymnasium. De website is: www.gymnasiumnu.nl
Cornelis Verhage
—
Een bekend probleem (02-01-10)
‘Te veel nieuwe leidinggevenden bij de politie missen praktijkervaring bij de politie zelf.’Aldus de korpsbeheerder van de politie Zuid-Holland-Zuid in de Telegraaf van 29 december. Veel nieuwe leidinggevenden zijn zij-instromers die een opleiding buiten de politie, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven of bij de overheid hebben gehad. Maar: ‘Wil je je werk goed doen, dan helpt het als je het zweet van arrestanten hebt geroken.’ Ook meent de korpsbeheerder dat veel nieuwe leidinggevenden zich verstoppen achter hun bureau.
Dit beeld is helaas op veel plaatsen in het voortgezet onderwijs heel herkenbaar. Niet op kleine scholen waar de directeur of rector meewerkend voorman of vrouw is. Wel op de grote gebureaucratiseerde instellingen waar steeds vaker zij-instromers – niet zelden na een mislukte carrière elders in de collectieve sector of in de politiek, aan een baan geholpen worden. Ook bij de inspectie vinden we zij-instromers, bijvoorbeeld onderwijskundigen, d.w.z. mensen die de praktijk van het onderwijs niet kennen. Het belangrijkste adviesorgaan voor onderwijszaken, de Onderwijsraad, bestaat tegenwoordig bijna geheel uit mensen die het onderwijs niet van binnenuit kennen of ooit gekend hebben, namelijk uit managers en onderwijskundigen.
Onderwijskundigen zijn eigenlijk nog erger dan gewone zij-instromers. Ik zal uitleggen waarom. Een zij-instromer uit het bedrijfsleven kan ervaring meebrengen uit de harde praktijk van het maatschappelijk leven. Met het besef dat er meestal geen wondermiddelen zijn waarmee hardnekkige problemen in een oogwenk worden opgelost. Onderwijskundigen daarentegen leven in een soort ‘fool’s paradise’, waarin nog steeds theorieën floreren als zou iedereen op den duur alles kunnen leren, van klassen zonder ordeproblemen, van altijd leergierige leerlingen die al zelfontdekkend tot prachtige resultaten komen.
Enfin, dat mensen die vanuit het luchtledige de praktijk moeten besturen zich achter hun bureau verstoppen, is, hoewel zeer laf, toch begrijpelijk. Het feit alleen al dat ze de confrontatie met de praktijk nooit hebben gezocht, waarschijnlijk nooit hebben aangedurfd, maakt reeds dat ze de facto ongeschikt zijn.
Leraren, ouders en leerlingen zouden elke keer als ze aangesproken worden door lieden die het onderscheidingsteken van de praktijk missen, moeten verklaren: u bent voor ons niet aanvaardbaar als gesprekspartner, kom maar terug als u zich in de praktijk bewezen hebt.
Cornelis Verhage
Oudere columns zijn via de pagina ‘contact’ op te vragen.

Twitter