Niet zo waardig

26 december 2011

De term ‘hoogopgeleiden’of ‘hoger opgeleiden’ is heel irritant. Zo is er een advertentie van een soort huwelijksbureau, ‘alleen voor hoger opgeleiden’, met de kreet ‘Durft u het aan?’. Verschillende onderzoekers hebben gevonden dat hoger opgeleiden langer en gezonder leven dan ‘lager’ opgeleiden en dat de kloof tussen hoger en lager opgeleiden steeds groter wordt.
Maar , kun je je afvragen, hoe functioneert dit nieuwe klassenstelsel als de hoger opgeleiden niet werkelijk ‘hoger’ opgeleid zijn , maar ‘niet hbo-waardig”, zoals de kranten melden over de opleiding journalistiek van hogeschool Windesheim in Zwolle?
Eerder moesten soortgelijke conclusies getrokken worden ten aanzien van de hogeschool Inholland, en uiteraard zijn er nog veel meer ‘minder’ waardigen.
In feite deugt de hele terminologie niet. Ik stel voor om in plaats daarvan te gebruiken ‘korter’ en ‘langer’ opgeleid. In veel gevallen moet je dan de voorkeur geven aan een korte, degelijke opleiding boven een langdurige fröbel opleiding.
Het zou best eens kunnen zijn, het is zelfs zeer waarschijnlijk, dat veel hoger opgeleiden het in de nabije toekomst heel moeilijk gaan krijgen om een baan te vinden , terwijl zij die een echte vakopleiding achter de rug hebben veel eerder aan de slag kunnen.
In Ierland zei men, toen de recessie toesloeg: ´The bubble has burst´.Zou het ook zo gaan met de ‘onderwijsbubbel´waarover BON vorige week een boek heeft gepubliceerd ? Het antwoord is bevestigend, in de zin dat wij nu weten dat er op veel plaatsen geen fatsoenlijk onderwijs wordt gegeven maar voorlopig ontkennend als het gaat om een werkelijke ombuiging van het systeem dat goedbetaalde banen en voorrechten verschaft aan een leger van bestuurders en ondersteuners.
Zolang de goegemeente nog gelooft in de mythe van de ‘hoger’ opgeleiden blijft het systeem in stand. En bovendien, waar moet je anders met al die mensen heen?

Cornelis Verhage

Hoewel ik van mening ben dat het niet goed  is dat leerlingen hun leraar tutoyeren vind ik het voorstel van de heer Beertema (PVV) om het gebruik van u van leerlingen tot leraren voor te schrijven, ongewenst en irritant. Irritant , niet omdat leden van Beertema’s partij zich niet altijd parlementair uitdrukken, dat is alleen maar een flauwe reactie van andere Kamerleden. Immers, men behoort het voorstel los daarvan op zijn merites te beoordelen.

Wie dat doet en verstand heeft van de onderwijspraktijk moet constateren dat het waarschijnlijk om een publiciteitsstunt gaat. Er zijn veel mensen die menen dat de ‘hufterigheid’ in de samenleving sterk toeneemt en een politieke partij die daar tegen in het geweer komt, verdient steun.

Maar dat is een wat oppervlakkige manier van denken die veronderstelt dat je dit soort gedragsregels zo maar kunt opleggen. Dat is niet zo. Het zou inderdaad beter zijn dat er ten aanzien van schoolregels één lijn werd getrokken: geen mobieltjes, geen petten, geen gemekker enz. Jammer, maar er zijn altijd leraren die vanuit een bepaalde ideologie of uit onmacht, of gewoon omdat ze dwars zijn, de hand lichten met die regels en er zijn te weinig schoolleiders die echt gezag (durven) uitoefenen. Een probleem is ook dat veel scholen te groot zijn om een behoorlijke controle mogelijk te maken.

Enfin, Beertema, als oud-onderwijsman, weet dat vast heel goed. Hij weet ook dat het onderwijs niet selectief genoeg is, niet kan zijn, ten opzichte van nieuwe leraren. Dat komt doordat het beroep niet aantrekkelijk gevonden wordt en vaak tweede of derde keus is. Dat is een veel groter probleem dan het je of jij zeggen of de betrokkenheid van de ouders bij het schoolgebeuren.Kortom, Beertema doet al net als minister van Bijsterveldt: geen daden maar woorden. Dat is niet voldoende: zoals een Fries spreekwoord zegt: it is mei sizzen net te dwaan.

Terug van weg geweest

12 november 2011

Op onderwijsgebied gebeuren in ons land de dingen vaak wat later dan in het buitenland. Het artikel van Patrick IJzendoorn in de Volkskrant van 5 november over de nieuwste ontwikkelingen in Engeland, maakte mij daar weer bewust van. Immers, in Engeland werd de middenschool, de ‘comprehensive school’ in de jaren zeventig en tachtig bijna overal ingevoerd. Die moest het ‘categoriale’ systeem , dat enigszins te vergelijken was met het Nederlandse, volledig vervangen.
De discussie werd dadelijk gepolitiseerd: Labour was vóór, de Conservatieven tegen, en dat is in zekere zin nog zo. Ook de opvattingen over pedagogische en didaktische vernieuwingen als zelfontdekkend leren, competentiegericht leren e.d. worden meestal gekoppeld aan een politieke stellingname.
Al die tijd moesten de Labour politici, soms knarsetandend, gedogen dat de particuliere scholen met veel succes hun eigen weg bleven gaan: in het algemeen met een heel degelijke en brede opleiding, eisen stellend en selectief, met bekwame leraren en kleine klassen. Veel Engelsen hadden en hebben er veel voor over om hun kinderen zo’n opleiding te laten geven. Een andere ‘escape’ werd geboden door de confessionele scholen, veel minder duur maar ook met de reputatie kwalitatief beter onderwijs te geven. Mensen die eigenlijk niets aan godsdienst doen zijn soms bereid een zekere vroomheid voor te wenden als daardoor hun kinderen naar een goede school kunnen gaan.
Onder Tony Blair, zelf een ‘ public school boy’, ging de Labour Party een meer liberale koers varen, New Labour genaamd, wat onder andere resulteerde in het stichten van ‘city academies’, scholen met meer aandacht voor de traditionele schoolcultuur en voor discipline. Vanuit de Conservatieve hoek worden ondertussen de ‘Free schools ‘ gesticht, ook door de overheid gesubsidieerd en met traditionele uitgangspunten. Deze nieuwe scholen zijn zeer populair bij de ouders die het gevoel hebben dat ze hier – kosteloos – de onderwijskwaliteit van particulier onderwijs kunnen vinden.
Wat opvalt is dat deze nieuwe scholen niet bang zijn voor etiketten. De rector van de Mossbourne Academy in Oost Londen, een school met uitstekende resultaten, staat bekend als de ‘strengste rector’ van Engeland. Dat is toch kras? In ons land moet je teruggaan tot de jaren zestig om strenge rectoren en directeuren te vinden, daarna moesten ze zich aanpassen of verdwijnen. Op een andere school krijgen nieuwe ouders te horen : ‘De weg naar kennis gaat niet gepaard met talloze complimentjes, wij hebben geen ‘praise addiction’ hier’.
Als u het mij vraagt , wat in Engeland gaande is krijgen wij hier ook: een terugkeer naar traditioneel onderwijs met meer discipline en meer selectie. Het politieke landschap leent zich daar ook voor. De PvdA, die van 1960 tot 2000 voorop ging met vernieuwingsplannen voor het onderwijs, heeft na het rapport Dijsselbloem in feite al afstand genomen van wat eerder zo mooi leek en de politieke partijen die op winst staan onderschrijven in grote lijnen de onderwijskundige ideeën zoals die geformuleerd worden door de Vrienden van het Gymnasium en van Beter Onderwijs Nederland.
En waar blijft dan zo’n Sjoerd Slagter, de voorzitter van de VO-raad die er een paar dagen gelen voor waarschuwde dat het verzwaren van de eindexameneisen tot veel meer gezakten zal leiden? Die blijft nergens, denk ik. Als de eisen zwaarder zijn dan heeft dat gevolgen, maar dat is ook de bedoeling, dat zou Slagter moeten weten.

Cornelis Verhage

Ingreep of aanwinst

30 oktober 2011

Er gaan weer stemmen op om de middenschool in te voeren. Het schijnt dat onderzoek heeft ‘aangetoond’ dat de intelligentie van kinderen in de loop van het voortgezet onderwijs nog behoorlijk kan veranderen, dus hoger of lager worden. Zelfs als dat waar zou zijn is er nog geen reden om een heel ander onderwijsstelsel in te voeren. Want daar gaat het natuurlijk om. De middenschooldiscussie van de vorige eeuw was om twee redenen heftig: in de eerste plaats omdat het idealisme of liever de ideologie van de vernieuwers voorbij ging aan de praktijkervaring van de leraren en in de tweede plaats omdat anders dan tot die tijd gebruikelijk was, het hele voortgezet onderwijs tot uniformiteit gedwongen zou worden.
Prof.dr. A.D. de Groot zei daarover in 1974: ‘Wat is er gebeurd? Een nieuw toverwoord, een nieuwe – gedeeltelijk overgewaaide – hobby van onderwijskundigen, een nieuwe golf komt over ons heen. Het wordt meteen ook een politiek lokaas en een prestigezaak voor sommigen – maar ondertussen blijft het een hervormingsvoorstel met onduidelijke strekking. Wordt de middenschool de eenheidsschool die alle andere v.o.-typen vervangt – een grote ingreep dus, in de richting van een ‘horizontaal’ systeem ( in tegenstelling tot ons ‘categoriale’) – of wordt het ‘gewoon’ (weer) een nieuw schooltype, een nieuwe aanwinst in onze toch al zo rijk geschakeerde verzameling van v.o.-soorten? Mijn indruk is dat de voorstanders het eerste willen, maar in de te verwachten touwtrekkerij hooguit het tweede zullen krijgen.’
De Groot zag het scherp. Als een van de belangrijkste voordelen van de middenschool werd genoemd dat minder goede leerlingen zich zouden optrekken aan hun knappere , ijverigere klasgenoten. De ervaring leert wat mij betreft dat dit zeker voorkomt, maar, niet minder vaak komt het omgekeerde voor: goede leerlingen worden gedemotiveerd als ze in een ‘slechte’ klas zitten.
Als men nu tegen een voorstander van de middenschool zoals Ferry Haan ( De Volkskrant van 24 oktober ) zegt:’ Nou vooruit, sticht dan maar een middenschool, niemand die je tegenhoudt’, blijkt dat hij daarmee niet tevreden is, want hij wil óók de betere leerlingen, zeg maar de v.w.o. leerlingen op zijn school hebben. Die wil hij ook inlijven: YOUR COUNTRY WANTS YOU!
De middenschool als aanwinst is voor hem niet genoeg. Maar in een land als Nederland , dat is de afgelopen decennia wel gebleken , is het niet mogelijk zo’n uniform systeem op te leggen, dan hebben de ouders die zich tegen hun wil moeten conformeren, het gevoel dat ze gegijzeld worden.

Cornelis Verhage

Mammoettanker

16 oktober 2011

In de hoogtijdagen van de onderwijsvernieuwing mocht toenmalig minister van Kemenade graag het beeld gebruiken van het onderwijs als mammoettanker: je kunt bij zo’n groot vaartuig niet zo gemakkelijk de koers verleggen als je zou willen, dat moet geleidelijk.

Niettemin, de koers werd , vanaf de jaren zeventig wel degelijk gewijzigd, in feite tot de dag van vandaag, met het gevolg dat de tanker nu vast gaat lopen op de zandbanken van verkeerde beslissingen. Schaalvergroting, niveauverlaging, afkalving van gezag, bureaucratisering, verspilling van tijd en geld – het is in wezen een voortgaand proces.

Opmerkelijk is ondertussen dat sinds een jaar of tien bijna alle betrokkenen: de reders, de aandeelhouders, de stuurlui en de matrozen, heel goed weten dat er eigenlijk een andere koers gevaren moet worden maar dat dit toch niet gebeurt. Het lijkt wel alsof het schip al gestrand is en muurvast zit.

Dat beeld bleef ook bij mij hangen na het zien van ‘De avond van het onderwijs’ op televisie ( 3 oktober). Men zou spreken over de gezagscrisis in het onderwijs maar deed het niet, en over de kwaliteit van het onderwijs maar het bleef bij vage beweringen. Onder andere van de minister van Onderwijs die ‘heeft aangegeven’ dat zij wil ‘inzetten’ op kwaliteit.

Er was nog één onderwijskundige die meende dat ons onderwijs nog steeds uitstekend is – wat ook zou blijken uit internationale vergelijkingen – maar verder was er in de opiniepeiling een verheugende verschuiving zichtbaar ten gunste van degelijk onderwijs, gegeven door gezag hebbende en goed opgeleide leraren. Wat in belangrijke mate ontbrak was de stem van de praktijk.

Die vond ik een dag later wel in een uitstekend artikel van Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad, Zij was op bezoek geweest bij één van de ‘leraren van het jaar 2011’. Bijna had ik het stuk overgeslagen omdat ik dergelijke verkiezingen onzin vind maar de inhoud was de moeite waard. De lerares om wie het gaat is werkzaam op een ROC in Ede en geeft les aan jongens en meisjes vanaf 16 jaar die voorbereid worden op een baan in het leger. Jannetje Koelewijn vraagt: ‘Zouden andere leerlingen ook baat hebben bij meer discipline?’

De lerares:’Hoe meer rust, orde en structuur je biedt hoe meer je lessen gewaardeerd worden. Straks ga ik een rekenles geven, dat vonden de jongens eerst onzin. Ik zeg: jij gaat breuken oefenen en jij procenten. Het is lang weggeweest hè, maar nu doen we het weer. Je bakt een taart met acht eieren, hoeveel eieren heb je nodig voor een halve taart? Ze hebben geen idee. Wisselgeld narekenen bij de kassa? Rente uitrekenen over een hypotheek? Kunnen ze niet. Ik denk: straks zijn ze soldaat, maar hebben ze ook een gezin. Toch handig als je die dingen weet.’

Vraag van Jannetje Koelewijn: Waarom hebben we dat in Nederland zo laten lopen? De lerares: ‘Weet jij het? Algemene softheid? Bij docenten zie ik het ook. Je kunt het nog zo bont maken, elke dag om twee uur zonder tas naar huis, nooit een les voorbereiden, altijd wanorde in de klas, maar je houdt je baan.’ Ik raad ieder aan het hele artikel op te zoeken en te lezen.

Cornelis Verhage

Als je dat denkt deug je niet

11 september 2011

Er is de laatste tien jaar heel wat veranderd in het politieke klimaat in Nederland. Het Kamerlid Frans Timmermans schrijft hierover in NRC Handelsblad van 7 september. Tegenwoordig zien we in de politiek een stroming van rechts-radicalisme, zegt hij, terwijl we in het verleden een tijd van links-radicalisme hebben beleefd. Dat laatste heeft naar mijn mening meer dan twintig jaar een stempel op het onderwijsbeleid gedrukt. Aanvankelijk ging het over verschillende standpunten met betrekking tot de toekomst van het onderwijs maar al gauw werden die door de ‘vernieuwers’ gekoppeld aan ‘progressief’ of ‘condervatief’, of, zo men wil, links of rechts. De polarisatie die hierdoor ontstond , ging ver. Jonge leraren afkomstig van de nieuwe lerarenopleiding kwamen progressief geïndoctrineerd op de scholen en eisten bijvoorbeeld ‘medezeggenschap voor alle geledingen’. Het kostte soms moeite die beginnende leraren – hoewel de praktijk een goede leermeester was – ervan te overtuigen dat het onderwijs niet met slogans te verbeteren valt.

Ik herinner me dat er onder andere het streven was om alle gymnastieklessen ‘gemengd’ te geven, omdat dit gunstig voor de emancipatie was. Leerlingen moesten ruimte krijgen om zich te ontplooien en dosten zich vaak potsierlijk uit terwijl het leren erbij inschoot. Van tijd tot tijd werd geroepen dat de examens moesten worden afgeschaft – en dat gebeurde soms ook. Kinderen konden gelukkig worden op de middenschool, zeker niet op het gymnasium, dus dan kon beter verdwijnen.

Maar daar bleef het niet bij, van mensen die er ‘foute’ ideeën over onderwijs op na hielden , werd ook verondersteld dat ze over andere kwesties – kernwapens, Vietnam, abortus – ook wel fout zouden denken. Het was een soort totaalpakket. En omdat mensen met behoudende opvattingen over onderwijs in feite niet deugden was het ook geoorloofd hen te boycotten in de media, hen te verhinderen promotie te maken in het openbaar onderwijs of in functies bij overheidsinstellingen. De lijst is lang en hier en daar, zoals bij de onderwijskunde, is er nog maar weinig veranderd.

Maar ondertussen zien wij nu in de laatste jaren  dat de neiging bestaat om sommige oude, toen reactionair geachte denkbeelden weer naar voren te brengen, zoals het gescheiden les geven van jongens en meisjes.

En de publiciste Heleen Crul breekt een lans voor het dragen van schooluniformen door leerlingen (NRC Handelsblad, 10 september). Dat was ‘toen’ uiteraard uit den boze, een uniform deed denken aan het leger, en het was nog elitair ook. Toch valt het best mee. Enige tijd geleden zag ik mijn kleinzoon van vier, die naar school gaat op een ‘Engelse’ school in het buitenland. Hij droeg een petje, jasje-dasje met badge, korte broek tot op de knieën, kniekousen en degelijke schoenen. Hij ondervindt geen hinder van zijn uniform. Ik bedoel maar, het is belangrijk om over onderwijszaken onbevooroordeeld te oordelen, zonder etikettenplakkerij van links of rechts. Elke keer moet de vraag beantwoord worden: hoe functioneert het in de praktijk. Dat moet het criterium zijn op grond waarvan men oordeelt, niet de partijlijn  of de doctrine.

En tenslotte, elk bestuur, elke organisatie die geen ruimte biedt voor afwijkende meningen, die in maffia-achtige beslotenheid opereert, deugt niet. Dat kwaad moet nog steeds, met argumenten, bestreden worden.

Cornelis Verhage

Nieuwe Amphora

3 september 2011

Vandaag is de nieuwe Amphora uitgekomen. De hoogtepunten zijn:

  • De toren van Jenga
  • De opkomst van de meritocratie
  • De vrije wil
  • De zeven wereldwonderen
  • Big City Blues
  • Metropolis
  • Pluk wordt Pluccus

Let op de Chinezen

22 augustus 2011

Het nieuws van de afgelopen zomer is, wat het onderwijs betreft, niet bijzonder verrassend. Hele verhalen over de suggesties van dhr Kuiper, voorzitter van de Besturenraad van christelijke scholen, dat jongens en meisjes erbij gebaat zouden zijn om voor sommige vakken gescheiden onderwijs te krijgen. Grotendeels is dit natuurlijk een ‘non-issue’ want er zullen heel weinig scholen zijn die over de middelen beschikken om dit plan te realiseren. Los daarvan, hoe functioneert naar sexe gescheiden onderwijs in de praktijk?

Er zijn nog wel leraren en oud-leraren aan wie je dit kunt vragen. Immers , vóór de invoering van de Mammoetwet was er de middelbare meisjesschool, de M.M.S. , die met de nadruk op het talenonderwijs, vaak een prima opleiding verzorgde. Ook de huishoudschool heeft op haar manier tientallen jaren goed gefunctioneerd.

Op de H.B.S. kwam het trouwens regelmatig voor dat bepaalde klassen alleen jongens hadden. In Bordewijk’s roman ‘Bint’ wordt verteld dat er in de klas die met ‘de hel’ wordt aangeduid, maar één meisje zat, Schattenkeinder: ‘De vrouw Schattenkeinder was een sloddervos met een ragebol’.

In het algemeen gaven leraren de voorkeur aan gemengde klassen en als er een jongensklas dreigde te ontstaan, had men er toch graag een paar meisjes bij. Meisjesklassen vragen van de leraar een enigszins andere instelling, een ‘feeling’  om een zodanige sfeer te creëren dat er goed gewerkt kan worden. Maar verder is het natuurlijk vooral de instelling van ouders en leerlingen en het karakter van de school dat bepaalt wat er mogelijk is.

In Engeland zijn de beste middelbare scholen in het middelbaar onderwijs, onder andere Eton en Harrow, waar prins William en prince Harry op school zaten, nog steeds ‘single sex’ scholen. Overigens, er zijn ook voortreffelijke meisjesscholen  en uitstekende ‘gemengde’ scholen.

Die scholen zijn selectief en stellen hoge eisen. De klassen zijn klein, de voorzieningen royaal, de leraren uitstekend opgeleid en bekwaam. De ouders zijn ambitieus, de leerlingen gemotiveerd. Het wordt als een voorrecht gezien op zo’n school te zitten.

Er zullen ongetwijfeld steeds vaker kinderen van rijke Chinezen toelating zoeken tot dergelijke scholen en daar goede prestaties leveren, want, zo is onlangs gebleken uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Chinese leerlingen doen het uitstekend in het onderwijs. Zij tonen aan dat, wat je bereikt in het onderwijs, niet alleen afhankelijk is van je aangeboren talent maar ook van je achtergrond en van je bereidheid om hard te werken. Wie leest en hoort hoe competitief het onderwijs in China zelf is en hoe de beste leerlingen en studenten gestimuleerd en beloond worden zal echt niet geloven dat de ‘hegemonie’ van het Westen nog lang zal duren.

Cornelis Verhage

Onze adviseur in NRC

7 juli 2011



ROC-voorzitter

25 juni 2011
Hoe het komt weet ik niet maar het gebeurt nogal eens dat mensen die afscheid gaan nemen
van hun baan in het onderwijs, opmerkelijke en behartigenswaardige dingen zeggen. Een
voorbeeld is dhr Franken, bestuursvoorzitter van R.O.C. West-Brabant, die in een interview
in BN DeStem van 24 juni onder meer het volgende zei: ‘Er is een continue opwaartse druk
richting havo en vwo-opleidingen. Maar het is niet zo dat mensen steeds slimmer worden. Een
gediplomeerd mbo-er die zijn hbo-diploma niet haalt kan altijd terugvallen op zijn mbo en aan
het werk. Dat kun je van een uitvaller met een havo-diploma niet zeggen.’
Op de vraag van de journalist hoe hij die tendens wil tegengaan zegt hij: ‘Ik vind dat binnen
nu en vijf jaar het niveau van havo en vwo drastisch omhoog moet door de toelatingseisen
te verscherpen. Dan komt er vanzelf ook meer gang richting vmbo en mbo en zullen meer
kinderen de koninklijke weg bewandelen: vmbo, mbo en eventueel hbo.’
Ik denk dat Franken gelijk heeft. Er is immers, bij de tegenwoordige manier van beoordelen
en bevorderen in het onderwijs, een onmiskenbaar verband tussen het gemiddelde niveau van
de instroom en het bereikte niveau aan het eind van een opleiding. Als de kwaliteit van de
instroom daalt, gaat ook het eindniveau omlaag. En dat is bepaald niet alleen ongewenst voor
het hbo of vwo, maar evengoed voor het mbo en vmbo. Juist die opleidingen kunnen meer
bereiken als zij ook goed gemotiveerde leerlingen met behoorlijke capaciteiten hebben.
Bovendien, het niveau van de opleidingen, zeker in mbo en hbo, heeft nog een extra duw
omlaag gekregen door de toepassing van het competentiegerichte leren. Dat wordt niet langer
ontkend, integendeel, plotseling zijn ook bestuurders erachter dat deze onderwijsvernieuwing
niet zo’n goed idee was. De voorzitter van de Fontijs hogescholen zegt nu ( NRC
Handelsblad 22 juni) dat cgo voor bijna niemand geschikt is : ‘Voor het merendeel van de
studenten werkt al die vrijheid niet; alleen de meest gemotiveerde 5 procent heeft baat bij
deze manier van lesgeven en excelleert daardoor.’
Waarom ben je er dan mee begonnen, zou je zeggen. Volgens Presley Bergen van BON was
invoering van cgo ook een manier om te bezuinigen op bekwame vakleerkrachten, die nu voor
een deel ‘verjaagd’ zijn uit mbo en hbo.
Enfin, het goede nieuws is dat nu eindelijk, ook bij politici en bestuurders is doorgedrongen
dat er veel mankeert aan het onderwijs. Maar dan? Meer geld zou helpen als dat beschikbaar
was; maar, men zou wel kunnen beginnen met het uitvoeren van de suggesties van ROC-
voorzitter Franken met de bedoeling het uit balans geraakte onderwijsstelsel te herstellen.
Cornelis Verhage